ECLI:NL:CRVB:2020:175

ECLI:NL:CRVB:2020:175, Centrale Raad van Beroep, 28-01-2020, 18-5457 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 28-01-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18-5457 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2018:7470
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 2 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001941 BWBR0002320 BWBR0005537 BWBR0013060 BWBR0015703

Samenvatting

Weigering toekennen inkomenstoeslag. Fiscale inkomensbegrip is niet gelijk te stellen met inkomensbegrip in artikel 32 van de PW. Laag inkomen niet aannemelijk gemaakt. Inkomen gedurende hele referteperiode niet vast te stellen.

Uitspraak

18 5457 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 28 januari 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 september 2018, 18/1577 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.M. van der Boor, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2019. Voor appellant is verschenen mr. Van der Boor. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant en zijn echtgenote (X) ontvangen sinds 3 augustus 2015 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden. Voordat appellant en X bijstand ontvingen hadden zij inkomsten uit een eigen onderneming in de vorm van een [buitenactiviteit].

Op 12 september 2017 hebben appellant en X een aanvraag om een individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36, eerste lid, van de PW ingediend. Bij besluit van 3 november 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 maart 2018 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat niet kan worden vastgesteld of appellant en X in de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanvraag (referteperiode) een laag inkomen hadden. Appellant en X zijn er niet in geslaagd om met stukken te onderbouwen dat zij in de periode tot aan de aanvang van de bijstand geen dan wel een zeer laag inkomen hadden. Dit betreft het deel van de referteperiode dat loopt van 12 september 2014 tot 3 augustus 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het gaat in dit geding om de vraag of het college op goede gronden heeft geweigerd appellant een individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36, eerste lid, van de PW toe te kennen. Voor de hier van belang zijnde bepalingen van de PW en de ter uitvoering van voormeld artikel vastgestelde Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Vlaardingen (Verordening), verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak (ECLI:NL:RBROT:2018:7470).

De aanvrager van een individuele inkomenstoeslag moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. Dat betekent in dit geval dat de aanvrager aannemelijk moet maken dat zijn inkomen in de referteperiode niet hoger is geweest dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. De aanvrager dient daaromtrent de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het orgaan dat de individuele inkomenstoeslag verleent om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag indien als gevolg daarvan het recht op individuele inkomenstoeslag niet kan worden vastgesteld.

Appellant heeft aangevoerd dat het college voldoende informatie over zijn financiƫle situatie had, dan wel had kunnen hebben, om te kunnen vaststellen dat hij voldeed aan de voorwaarden voor een individuele inkomenstoeslag. Hij heeft in dat verband gesteld dat het inkomensgegeven dat is vastgelegd in de Basisregistratie inkomen als bedoeld in artikel 21a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen hetzelfde is als het inkomensbegrip als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW en dat het op de weg van het college ligt om aan de hand van het inkomensgegeven dat is vastgelegd in de Basisregistratie het inkomen vast te stellen.

Deze beroepsgrond slaagt niet. In artikel 1 van de Verordening is bepaald dat onder inkomen wordt verstaan: het totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de PW (de Raad begrijpt: artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW), en de algemene bijstand. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 18 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6634) kan het fiscale inkomensbegrip niet worden gelijkgesteld met inkomen in de zin van de hiervoor vermelde bepaling van de PW. Het college is voor de beoordeling van de aanspraak op individuele inkomenstoeslag dan ook terecht uitgegaan van het inkomensbegrip als bedoeld in de PW.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hij in de periode van 12 september 2014 tot 3 augustus 2015 een laag inkomen had. Hij heeft in dit verband gewezen op zijn inkomen zoals neergelegd in de door hem overgelegde financiƫle stukken, waaronder jaarrekeningen van de onderneming.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. X heeft, zoals niet is betwist, tijdens een telefonisch contact met een medewerker van het college verklaard dat zij en appellant een deel van de inkomsten uit de [buitenactiviteit] in 2014 en 2015 in hun portemonnee hielden voor het doen van boodschappen. De gemachtigde van appellant heeft dit ter zitting bevestigd. Appellant heeft geen gegevens overgelegd over de contante geldstroom, zoals een kasboek of enige andere vorm van boekhouding. Voor het standpunt van appellant dat die contante geldstroom is verwerkt in de overgelegde jaarrekeningen bieden de overgelegde stukken geen enkele steun. Hieruit volgt dat appellant het inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW niet volledig inzichtelijk heeft gemaakt. Hij heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij een laag inkomen had als onder 4.2 bedoeld, zoals door hem gesteld.

Appellant heeft daarnaast aangevoerd dat het college het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid. Het college had volgens appellant moeten onderzoeken in welk opzicht, gelet op de gegevens in de door hem overgelegde stukken, zijn inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW verschilde van het fiscale inkomensbegrip.

Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Gelet op wat in 4.2 is overwogen ligt het op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat hij gedurende de referteperiode een laag inkomen had. Alleen al doordat appellant, zoals in 4.6 is overwogen, onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft en geen volledige openheid van zaken heeft gegeven over de contante geldstromen had het college geen aanknopingspunten om nader onderzoek te doen. Daarom kan niet worden geoordeeld dat het college onzorgvuldig onderzoek heeft verricht.

Anders dan appellant ten slotte nog heeft aangevoerd, doet de enkele omstandigheid dat appellant en X met ingang van 3 augustus 2015 bijstand ontvangen aan voorgaande niet af. Het gaat immers om de vraag of zij ook in de periode voordien een laag inkomen hadden als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de PW.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat de hoogte van het inkomen van appellant en X niet gedurende de gehele referteperiode is vast te stellen. Hieruit volgt dat het recht op een individuele inkomenstoeslag evenmin is vast te stellen. Het college heeft de aanvraag van appellant om een individuele inkomenstoeslag dan ook op goede gronden afgewezen.

De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van V.Y. van Almelo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2020.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) V.Y. van Almelo

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JWWB 2020/58
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?