18. 1747 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 februari 2018, 17/5094 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Dongen (college)
Datum uitspraak: 11 augustus 2020
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.M.A. Leijser, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Op 8 februari 2017 heeft appellant een aanvraag om een individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet (PW) ingediend.
Bij besluit van 28 februari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 juni 2017 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant in de hier van toepassing zijnde referteperiode van 36 maanden, namelijk in de periode van 8 februari 2012 tot 8 februari 2017 (referteperiode), meer inkomsten dan 120% van de voor hem toepasselijke bijstandsnorm heeft genoten vanwege inkomsten uit een hennepkwekerij.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het gaat in dit geding om de vraag of het college op goede gronden heeft geweigerd appellant een individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36, eerste lid, van de PW toe te kennen. Voor de hier van belang zijnde bepalingen van de PW en de ter uitvoering van voormeld artikel vastgestelde Verordening individuele inkomenstoeslag van de gemeente Dongen, verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak (ECLI:NL:RBZWB:2018:917).
De aanvrager van een individuele inkomenstoeslag moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. Dat betekent in dit geval dat de aanvrager aannemelijk moet maken dat zijn inkomen in de referteperiode niet hoger is geweest dan 120% van de voor hem toepasselijke bijstandsnorm. De aanvrager dient daaromtrent de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan de instantie die de individuele inkomenstoeslag verleent om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag indien als gevolg daarvan het recht op individuele inkomenstoeslag niet kan worden vastgesteld.
Appellant heeft aangevoerd dat zijn inkomen in de referteperiode niet hoger is geweest dan 120% van de bijstandsnorm. Hij heeft in dat verband gesteld dat de hennepkwekerij in zijn woning slechts kort heeft bestaan en niets heeft opgeleverd.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Niet in geschil is dat appellant in de referteperiode een hennepkwekerij in zijn woning heeft opgezet. Blijkens het zogenoemde ‘Hennepinformatie bericht’ van de politie Zeeland-West-Brabant, werd in de woning van appellant op
26 februari 2015 op zolder een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met 330 hennepplanten. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar vaste rechtspraak (uitspraak van 20 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU9021 en uitspraak van 21 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:161) overwogen dat de aanwezigheid van een hennepkwekerij de vooronderstelling rechtvaardigt dat de opbrengst daarvan aan de eigenaar of huurder van de woning ten goede is gekomen en dat bij die exploitatie steeds rekening moet worden gehouden met inkomsten, ook als nog geen oogst heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat het college ervan heeft kunnen uitgaan dat appellant inkomsten heeft gehad uit zijn betrokkenheid bij hennepteelt. Dat de exploitatie niets zou hebben opgeleverd heeft appellant niet onderbouwd met verifieerbare gegevens. Appellant heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zijn inkomen in de referteperiode niet hoger is geweest dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm.
Uit 4.4. volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van I.A. Siskina als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2020.
(getekend) M. Hillen
(getekend) I.A. Siskina