19. 3911 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 28 juli 2020
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 juli 2019, 19/641 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk (college)
Zitting heeft: F. Hoogendijk
Griffier: L. Hagendijk
Appellant is verschenen bijgestaan door mr. J.F.R. Eisenberger, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T. Zwarthoed.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Bij besluit van 18 september 2018, gehandhaafd bij besluit van 7 januari 2019 (bestreden besluit) heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2017 ingetrokken en een bedrag van € 21.966,48 over de periode van 1 januari 2017 tot 1 augustus 2018 van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant inkomsten heeft gehad uit gokactiviteiten en dat op de bankafschriften van appellant zeer regelmatig stortingen en bijschrijvingen te zien zijn. Door hiervan geen melding te maken heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het recht op bijstand kan daardoor niet worden vastgesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft erkend dat de stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening geldbedragen zijn die hij heeft gewonnen met gokken, behalve één storting, die volgens hem een terugbetaling van geleend geld is. Hij heeft ook erkend dat hij geen melding heeft gemaakt bij het college van deze stortingen en inkomsten uit het gokken.
4. Dit betekent dat het college terecht heeft gesteld dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden.
5. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre appellant verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.
6. Appellant heeft aangevoerd dat een aanvullend recht op bijstand is vast te stellen, namelijk op grond van de overgelegde bankafschriften, omdat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer gokwinsten heeft gehad dan uit de bankafschriften blijkt. Deze grond slaagt niet. Uit het voorgaande volgt immers dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat hij een aanvullend recht op bijstand zou hebben gehad als hij de inlichtingenverplichting wel was nagekomen. De bewijsnood waarin appellant stelt te verkeren, doordat hij niet over andere stukken dan de bankafschriften beschikt om aan zijn bewijslast te voldoen, komt voor zijn rekening en risico. Hij heeft die bewijsnood over zichzelf afgeroepen door het college niet direct te informeren over zijn gokactiviteiten en gokwinsten. De omstandigheid dat appellant een kwetsbaar persoon is, zoals hij naar voren heeft gebracht, maakt dit niet anders.
7. Appellant heeft tevens aangevoerd dat een aanvullend recht op bijstand is vast te stellen, omdat de overgelegde bankafschriften kunnen dienen als boekhouding. Hij stelt dat hij al zijn contante gokwinsten op zijn bankrekening heeft gestort. De winsten uit online gokken werden direct op zijn rekening gestort. De bankafschriften geven volgens appellant dan ook een volledig overzicht van zijn inkomsten uit het gokken. Ook deze grond slaagt niet. Niet valt uit te sluiten, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, dat appellant niet alle gokwinsten in contanten op zijn bankrekening heeft gestort, maar deze deels heeft aangewend voor verdere gokactiviteiten of voor andere uitgaven. Nu appellant geen andere gegevens over de omvang en opbrengst van zijn gokactiviteiten heeft overgelegd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de op de bankafschriften vermelde stortingen een volledig inzicht daarin geven.
8. Appellant heeft betoogd dat het onder deze omstandigheden voor een bijstandsgerechtigde niet mogelijk is om te gokken. Dit betoog treft geen doel. Het maakt niet dat het recht op bijstand wel is vast te stellen.
9. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal,
de griffier, de voorzitter,
(getekend) L. Hagendijk (getekend) F. Hoogendijk