19. 2109 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 april 2019, 18/5617 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 28 januari 2020
Zitting heeft: W.F. Claessens, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: A.A.H. Ibrahim
Ter zitting is namens appellant verschenen, mr. drs. ir. G.A.S. Maduro BA, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J.M. Codrington.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Bij besluit van 18 april 2018, houdende de toekenning van bijstand aan appellant en zijn echtgenote per 2 februari 2018, heeft het college impliciet geweigerd bijstand toe te kennen over de periode van 1 november 2017 tot 2 februari 2018. Appellant heeft daartegen op
14 september 2018 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar heeft het college bij besluit van 5 oktober 2018 niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep, evenals in beroep, aangevoerd dat hij buiten staat was om tijdig bezwaar te maken tegen het besluit van 18 april 2018 dan wel hiervoor een derde in te schakelen. Dit komt volgens appellant door zijn psychische klachten, die blijken uit de door hem al in beroep overgelegde medische informatie. Appellant wijst hierbij op de uitspraak van 5 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY4059.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Vaststaat dat appellant te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 18 april 2018. Ook staat vast dat appellant psychische klachten heeft. Hij lijdt aan ptss en is daarvoor behandeld. Evenals de rechtbank kan de Raad uit de in beroep ingediende medische informatie echter niet afleiden dat appellant door zijn psychische klachten buiten staat was om binnen de bezwaartermijn bezwaar te maken dan wel dat door een derde te laten doen. Daarbij komt dat appellant wel in staat is gebleken om op 2 februari 2018 een aanvraag om bijstand in te dienen en in maart 2018 ook nog aanvragen voor ‘Jeugd-tegoed 2018’ en voor bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand. Verder is van belang dat het besluit van 18 april 2018 ook aan de echtgenote van appellante was gericht. Nergens blijkt uit dat zij niet in staat was om tijdig bezwaar te maken tegen dat besluit. Dat appellant niet in staat was om een derde in te schakelen om bezwaar te maken, heeft appellant evenmin aannemelijk gemaakt. De vergelijking met de door appellant genoemde uitspraak van 5 juli 2006 gaat dan ook niet op. Dit alles leidt de Raad tot dezelfde conclusie als die van het college en de rechtbank, namelijk dat de in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde situatie zich hier niet voordoet.
Aangezien de termijnoverschrijding dus niet verschoonbaar kan worden geacht, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 april 2018 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep slaagt daarom niet.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) A.A.H. Ibrahim (getekend) W.F. Claessens