Omvang geding
Appellante wordt niet gevolgd in het standpunt dat de Raad ook moet oordelen over het in rechtsoverweging 1.5 genoemde besluit van 17 oktober 2017. Anders dan appellante heeft aangevoerd, mist de door haar genoemde uitspraak van de Raad in dit geval toepassing. Die uitspraak van de Raad betreft de toepassing van artikel 4:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in (hoger) beroep en wel in het bijzonder of het door de aanvrager tegen een beschikking op de aanvraag gemaakte bezwaar of ingestelde (hoger) beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen de beschikking ter vaststelling van de hoogte van de dwangsom. In het voorliggende geschil is daarvan geen sprake. Verder wordt geoordeeld dat het besluit van 17 oktober 2017 een ander (zelfstandig) rechtsgevolg heeft dan het thans ter beoordeling voorliggende besluit en wel een nabetaling en verrekening van de WIA-uitkering. Dit betekent dat geen sprake is van een meeneembesluit in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb en/of van een besluit dat op grond van artikel 8:69 van de Awb tot de omvang van dit geding behoort.
Horen
4.2.1. Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, de belanghebbende in de gelegenheid om te worden gehoord. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb kan van het horen worden afgezien indien de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord.
4.2.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 10 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3555) is het recht van een belanghebbende om te worden gehoord een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure en kan slechts van het horen worden afgezien indien er geen twijfel over bestaat dat daarvoor toestemming is gegeven. De bewijslast dat toestemming is gegeven ligt bij het bestuursorgaan.
4.2.3. Uit de telefoonnotitie van 23 januari 2017 van het Uwv blijkt dat een medewerker van het Uwv met appellante de mogelijkheid van een hoorzitting en een spreekuur heeft besproken. Appellante heeft te kennen gegeven dat zij alleen medische bezwaren heeft tegen het besluit van 6 december 2016 en dat zij het niet eens is met de primaire medische beoordeling. De medewerker heeft ‘daarom een afspraak met alleen een arts gemaakt’. In beroep heeft appellante aangevoerd dat zij door het Uwv niet is gehoord over haar medische bezwaren. Niet is gebleken dat appellante van de mogelijkheid tot het geven van een mondelinge toelichting afstand heeft gedaan, zodat geoordeeld moet worden dat het Uwv de hoorplicht heeft geschonden. Niet aannemelijk is echter dat appellante door dit gebrek in haar belangen is geschaad. In beroep en in hoger beroep heeft zij alsnog de gelegenheid gehad om haar standpunten toe te lichten, zodat het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb zal worden gepasseerd.
Zorgvuldigheid onderzoek
De grond dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is omdat een geregistreerde verzekeringsarts een rapport van een niet-geregistreerde verzekeringsarts heeft getoetst en akkoord bevonden, slaagt niet. Dit wordt in lijn met de rechtspraak van de Raad als een voldoende zorgvuldige handelwijze aangemerkt.
(Medische) onderbouwing bestreden besluit
Wat appellante in hoger beroep overigens heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die zij in beroep tegen de (medische) onderbouwing van het bestreden besluit heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de overwegingen 3.1 tot en met 3.3, zoals verkort weergegeven onder 2 van deze uitspraak, afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen over de mogelijkheden en beperkingen van appellante worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. De informatie die blijkt uit het in hoger beroep ingestuurde weekschema van appellante, was bekend bij de verzekeringsartsen. Dat blijkt uit de rapporten van de (verzekerings)artsen van 16 november 2016 en 31 juli 2017.
Uit wat in 4.2 tot en met 4.4. is overwogen volgt dat het bestreden besluit in stand blijft en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden, omdat de rechtbank zelf geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb.
In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien om het Uwv
te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep:
bevestigt de aangevallen uitspraak;
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.050,-;
bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van B.V.K. de Louw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2020.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) B.V.K. de Louw