CAK
Datum uitspraak: 14 oktober 2020
PROCESVERLOOP
Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door het Zorginstituut Nederland en daarvoor door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK mede verstaan Cvz.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
CAK heeft een verweerschrift ingediend.
Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2020. Appellante is niet verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante woont in België en ontvangt sinds 1 december 2008 een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Bij besluit van 20 mei 2009 heeft CAK vastgesteld dat appellante verdragsgerechtigde is en dat zij recht heeft op medische zorg in België voor rekening van Nederland. Voor de kosten van deze zorg is zij op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet en de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering (Regeling), een bijdrage (buitenlandbijdrage) verschuldigd. CAK heeft de uitkerende instantie verzocht om die buitenlandbijdrage op de AOW-uitkering van appellante in te houden. Met ingang van 1 juli 2009 is vervolgens een bedrag aan buitenlandbijdrage ingehouden op haar AOW-uitkering.
Bij besluit van 4 april 2018 heeft CAK de definitieve jaarafrekening 2009 vastgesteld. Daarbij is bepaald dat de buitenlandbijdrage voor het jaar 2009 € 900,74 bedraagt. Na verrekening van inhoudingen resulteert dit in een te betalen bedrag van € 457,74. Bij beslissing op bezwaar van 17 augustus 2018 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 april 2018 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de omvang van het geschil beperkt is tot de vraag of CAK zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante het restant van de buitenlandbijdrage over 2009 moet betalen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 28 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY4824) heeft de rechtbank overwogen dat aan de overschrijding van de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling opgenomen termijn niet de consequentie kan worden verbonden dat de definitieve jaarafrekening als onbevoegd genomen besluit moet worden vernietigd. De genoemde termijn is geen verval- of verjaringstermijn. Naar het oordeel van de rechtbank is van schending van het rechtszekerheidsbeginsel evenmin sprake, omdat appellante wist of redelijkerwijs kon weten dat CAK nog een definitieve jaarafrekening zou vaststellen.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat CAK het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden. Appellante heeft daartoe onder meer aangevoerd dat zij sinds 20 mei 2009 nooit meer iets van CAK heeft vernomen over de buitenlandbijdrage. Zij meent dat zij er na negen jaar vanuit mocht gaan dat er geen afrekening meer zou volgen. Van CAK had een meer actieve houding mogen worden verwacht.
CAK heeft bij verweer verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak. In reactie op de uitspraak van de Raad van 29 mei 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:1155) heeft CAK erkend dat in dit geval de buitenlandbijdrage over 2009 niet definitief is vastgesteld binnen vijf jaar na afloop van de wettelijke beslistermijn dan wel na het moment waarop CAK bekend kon zijn met het feit dat over het jaar 2009 een buitenlandbijdrage moest worden geheven. CAK heeft er op gewezen dat naast de gegevens van de beschikking over het niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi), ook de fiscale loongegevens nodig zijn voor het vaststellen van de buitenlandbijdrage en dat deze fiscale loongegevens pas op 10 november 2016 bij CAK bekend zijn geworden. CAK kon pas op dat moment de verschuldigde buitenlandbijdrage over 2009 vaststellen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ter beoordeling ligt voor of het rechtszekerheidsbeginsel zich verzet tegen het door CAK in 2018 in rekening brengen van de over 2009 nog verschuldigde buitenlandbijdrage van € 457,74.
In artikel 6.3.3, eerste lid, van de Regeling is, voor zover van belang, bepaald dat het verschil tussen de door de bijdrageplichtigen verschuldigde bijdrage en de ingehouden en afgedragen of anderszins geïnde bijdragen door het CAK wordt vastgesteld en verrekend, geïnd of uitgekeerd. Uit artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling volgt, voor zover hier van belang, dat CAK, in andere gevallen dan waarin slechts een nominale bijdrage verschuldigd is, het in het eerste lid bedoelde verschil uiterlijk zes maanden na het tijdstip waarop zowel de aanslag inkomstenbelasting als de NiNbi-beschikking onherroepelijk zijn geworden definitief vaststelt.
Dat, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, de in artikel 6.3.3 van de Regeling opgenomen termijnen voor het definitief vaststellen van de buitenlandbijdrage geen verval- of verjaringstermijnen zijn, laat onverlet dat bij die definitieve vaststelling na het verstrijken van de in dat artikel bedoelde termijnen, rekening moet worden gehouden met het rechtszekerheidsbeginsel. Van schending van het rechtszekerheidsbeginsel kan onder andere sprake zijn als de overschrijding van de wettelijke beslistermijn van zodanig lange duur is dat de betrokkene met de heffing van de buitenlandbijdrage redelijkerwijs geen rekening meer behoefde te houden.
In zijn onder 3.2 genoemde uitspraak van 29 mei 2020 heeft de Raad geoordeeld dat het met het oog op de rechtszekerheid niet aanvaardbaar is dat CAK meer dan vijf jaar na afloop van de wettelijke beslistermijn, dan wel, als dit later is, na het moment waarop CAK bekend kon zijn met het feit dat over een bepaald kalenderjaar een buitenlandbijdrage moet worden geheven, de buitenlandbijdrage nog in rekening brengt. Een ander oordeel zou er toe leiden dat een betrokkene zonder enige begrenzing in de tijd kan worden geconfronteerd met een betalingsverplichting, uitsluitend omdat het bestuursorgaan verzuimt het bestaan van deze verplichting op de voorgeschreven wijze aan de betrokkene bekend te maken. Als de betrokkene echter binnen de genoemde termijn van vijf jaar door andere correspondentie dan een formele beslissing van CAK op de hoogte raakt van de verschuldigdheid en de hoogte van de bijdrage over een kalenderjaar, is er vanaf dat moment niet langer sprake van een situatie waarin hij met de heffing van de buitenlandbijdrage over dat kalenderjaar redelijkerwijs geen rekening meer behoeft te houden en begint een nieuwe termijn van vijf jaar te lopen.
Wat in deze uitspraak is overwogen geldt niet alleen indien slechts de nominale bijdrage verschuldigd is, maar ook in andere gevallen als bedoeld in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling.
Niet in geschil is dat de buitenlandbijdrage over 2009 is vastgesteld meer dan vijf jaar na afloop van de in artikel 6.3.3, derde lid, tweede volzin, van de Regeling vermelde beslistermijn van zes maanden na het tijdstip waarop zowel de aanslag inkomstenbelasting als de NiNbi-beschikking onherroepelijk zijn geworden en dat appellant pas door het besluit van 4 april 2018 op de hoogte is geraakt van de buitenlandbijdrage over 2009. Dit brengt mee dat CAK de nog verschuldigde buitenlandbijdrage van € 457,74 niet meer bij appellante in rekening mocht brengen. Wat CAK in 3.2 heeft aangevoerd over de benodigde fiscale gegevens leidt niet tot een ander oordeel, omdat niet bepalend is wanneer CAK door de Belastingdienst van de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling vermelde gegevens op de hoogte is gebracht.
Het hoger beroep slaagt. Het beroep tegen het bestreden besluit zal gegrond worden verklaard, het bestreden besluit zal worden vernietigd voor zover daarbij aan appellante het nog verschuldigde bedrag van € 457,74 aan buitenlandbijdrage in rekening is gebracht en het besluit van 4 april 2018 zal in zoverre worden herroepen.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding, omdat niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en J.P.A. Boersma en D. Hardonk‑Prins als leden, in tegenwoordigheid van M. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2020.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) M. Stumpel