18. 2825 ZW
Datum uitspraak: 30 januari 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
9 april 2018, 17/6313 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. dr. G.P. Dayala, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2019. Namens appellante is verschenen mr. Y. Mateo Diaz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.J.H.H. Fuchs.
OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 24 maart 2017 heeft het Uwv de aan appellante verstrekte ZW-uitkering met ingang van 24 maart 2017 geschorst, omdat appellante geen gehoor heeft gegeven aan een oproep om op het spreekuur te verschijnen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 19 september 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 maart 2017 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat het bezwaarschrift na de daarvoor gestelde termijn van zes weken is ingediend, zonder dat daarvoor een verschoonbare reden aanwezig was.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was en dat het ziekengeld ten onrechte is geschorst per 24 maart 2017.
Het Uwv heeft een besluit van 24 juli 2018 ingebracht waarbij het Uwv de ZW-uitkering van appellante met ingang van 1 maart 2017 heeft beëindigd.
Ter zitting is namens appellante verklaard dat geen rechtsmiddel is aangewend tegen het besluit van 24 juli 2018.
4. De Raad oordeelt als volgt.
Bij het besluit van 24 juli 2018 is vastgesteld dat appellante met ingang van 1 maart 2017 geen recht heeft op ziekengeld. Tegen dat besluit is geen bezwaar gemaakt. Daarmee staat vast dat appellante vanaf 1 maart 2017 geen aanspraak meer maakt op een ZW-uitkering.
Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft bij beoordeling van het hoger beroep, is volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:221) bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of (hoger)beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Nu vaststaat dat appellante per de datum in geding geen recht heeft op ziekengeld, heeft beoordeling van het besluit tot schorsing per die datum geen feitelijke betekenis. Van enig procesbelang voor appellante bij het hoger beroep is niet gebleken. Het hoger beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2020.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) F.E.M. Boon