ECLI:NL:CRVB:2020:3

ECLI:NL:CRVB:2020:3, Centrale Raad van Beroep, 02-01-2020, 18/1255 ZW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 02-01-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/1255 ZW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 2 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001840 BWBR0001888 BWBR0002524 BWBR0004045 BWBR0019057

Samenvatting

Afwijzing aanvraag om een WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische grondslag. Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde en in de FML weergegeven belastbaarheid heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat hij met ingang van 27 maart 2017 in staat moet zijn één van de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies, te weten die van wikkelaar, te verrichten.

Uitspraak

18. 1255 ZW

Datum uitspraak: 2 januari 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 februari 2018, 17/1799 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Weehuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2019. Appellant en zijn gemachtigde zijn ter zitting niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. den Hartog.

OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als productiemedewerker voor 40 uur per week. Hij heeft

zich op 2 juni 2014 voor dit werk ziek gemeld met klachten aan zijn rechterbeen.

Bij besluit van 26 april 2016 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een

uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen, omdat hij per 30 mei 2016 minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant is op basis van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 april 2016 in staat geacht de functies wikkelaar, magazijnmedewerker en productiemedewerker metaal en elektro-industrie te verrichten. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van 26 april 2016.

Appellant heeft zich op 20 februari 2017 ziek gemeld met toegenomen rug-, been- en handklachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Appellant heeft op 24 maart 2017 het spreekuur bezocht van een bedrijfsarts van het Uwv. Deze arts heeft appellant per 27 maart 2017 geschikt geacht voor ten minste één van de eerder geselecteerde WIA-functies, namelijk de functie van wikkelaar. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 24 maart 2017 vastgesteld dat appellant per 27 maart 2017 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 24 mei 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 mei 2017 ten grondslag gelegd.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig geacht. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellant onjuist heeft ingeschat. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat appellant ten gevolge van Carpaal Tunnel Syndroom (CTS) verdergaand beperkt moet worden geacht dan tijdens de WIA-beoordeling is vastgesteld. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant heeft beëindigd, omdat hij op 27 maart 2017 geschikt is voor ten minste één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies.

In hoger beroep heeft appellant zijn gronden van beroep gehandhaafd. Hij houdt staande dat zijn beperkingen ten gevolge van CTS aan de linkerhand zijn onderschat. Sinds de WIA‑beoordeling zijn de klachten van CTS weer gaan opspelen, nadat deze door een operatie rond de WIA-beoordeling waren verholpen. Omstreeks 7 december 2017 is hij opnieuw geopereerd. Wegens de beperkingen aan de linkerhand was appellant niet in staat tot het vervullen van ten minste één van de WIA-functies.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd tegen de medische grondslag van het bestreden besluit is een herhaling van de gronden die hij bij de rechtbank heeft ingediend en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De overwegingen die de rechtbank hieraan ten grondslag heeft gelegd worden onderschreven.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld en overtuigend gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusie dat appellant per 27 maart 2017 onverminderd belastbaar is conform de FML van 1 april 2016. De overwegingen waarop het oordeel van de rechtbank berust worden onderschreven.

Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens naar voren gebracht waarmee hij zijn stelling dat de medische beperkingen zijn toegenomen heeft onderbouwd.

Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde en in de FML weergegeven belastbaarheid heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat hij met ingang van 27 maart 2017 in staat moet zijn één van de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies, te weten die van wikkelaar, te verrichten.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2020.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) E.D. de Jong

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?