ECLI:NL:CRVB:2020:3084

ECLI:NL:CRVB:2020:3084, Centrale Raad van Beroep, 01-12-2020, 19/5240 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 01-12-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/5240 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2019:8929
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Eerst in beroep heeft appellant toegelicht waarin dringende redenen zouden zijn gelegen. Het college heeft in het verweerschrift een nadere toelichting gegeven. College is ingegaan op aangevoerde omstandigheden. Geen dringende redenen aannemelijk gemaakt.

Uitspraak

19 5240 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 1 december 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

8 november 2019, 19/898 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Y. Ben-Saddek-El Hamri, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt sinds 1 oktober 1996 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

Bij besluit van 5 juni 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 januari 2019 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand over de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.857,46 van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat sprake is van bijschrijvingen en stortingen op de bankrekening van appellant die hij niet heeft gemeld. De bijschrijvingen en stortingen zijn aangemerkt als inkomsten. Dat sprake is van geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, maakt dat niet anders. Niet is gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Tussen partijen is enkel in geschil of sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken.

Appellant heeft aangevoerd dat hij zich, nu de bijschrijvingen en stortingen leningen betreffen die hij moet terugbetalen, niet heeft bevoordeeld en het college niet heeft benadeeld. Het college heeft zonder hierover een individuele afweging te maken ten onrechte slechts met een algemene verwijzing naar jurisprudentie geconcludeerd dat dit geen dringende reden oplevert.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft eerst in beroep toegelicht waarin deze dringende redenen zouden zijn gelegen. Het college heeft in het verweerschrift in beroep het in het bestreden besluit gegeven standpunt dat geen sprake is van dringende redenen nader toegelicht. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellant met de stelling dat hij nu geconfronteerd wordt met een terugvordering terwijl hij zijn leningen ook heeft moeten terugbetalen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich in dit geval dringende redenen voordoen. Het college is daarmee ingegaan op de door appellant aangevoerde omstandigheden. Het college heeft hierbij terecht verwezen naar de uitspraak van 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:321 in een vergelijkbare zaak.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van D. Bakker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2020.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) D. Bakker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?