ECLI:NL:CRVB:2020:426

ECLI:NL:CRVB:2020:426, Centrale Raad van Beroep, 25-02-2020, 17-6715 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 25-02-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 17-6715 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2017:7029
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005289

Samenvatting

Zelfstandig schadebesluit. Afgewezen verzoek om meer materiële en immateriële schadevergoeding dan is verleend. Onrechtmatigheid besluit staat vast. schadeposten niet onderbouwd.

Uitspraak

17/6715 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 25 februari 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

13 september 2017, 16/75 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Bouyaghjdane, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gelijktijdig met de behandeling van de zaken 17/6755 PW en 18/5476 PW, plaatsgevonden op 14 januari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bouyaghjdane. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.J.M. Codrington. In zaken 17/6755 PW en 18/5476 PW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sinds 3 september 2008 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 21 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

1 maart 2013, heeft het college de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van

1 december 2012 wegens schending van de inlichtingenverplichting.

Op 10 april 2013 heeft appellant een nieuwe aanvraag om bijstand gedaan. Bij besluit van 10 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 augustus 2013, heeft het college de aanvraag afgewezen.

Bij uitspraak van 31 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:968, heeft de Raad geoordeeld dat de intrekking van de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2012 (onrechtmatige intrekking) geen stand houdt. De Raad heeft de besluiten van

21 december 2012 en 10 juni 2013 herroepen en bepaald dat zijn uitspraak in de plaats treedt van de besluiten van 1 maart 2013 en 22 augustus 2013.

Bij brief van 8 juli 2015 heeft appellant een verzoek gedaan om vergoeding van de door hem geleden schade als gevolg van de onrechtmatige besluiten van 21 december 2012 en

10 juni 2013.

Bij besluit van 9 september 2015 heeft het college aan appellant ter vergoeding van zijn schade de wettelijke rente over de periode van 1 december 2012 tot en met 19 mei 2015 ter hoogte van € 1.233,98 toegekend. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 mei 2017 (bestreden besluit) heeft het college dit bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft de vergoeding van de wettelijke rente nog steeds op zijn plaats geacht, maar heeft daarnaast overeenkomstig het voorstel van de voormalige gemachtigde van appellant

€ 1.500,- immateriële schadevergoeding toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) in werking getreden. Op grond van het daarin opgenomen overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 juli 2013.

Bij de toetsing van een zelfstandig schadebesluit als hier aan de orde moet naar vaste rechtspraak zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht (zie onder meer de uitspraak van 7 april 1999, ECLI:NL:CRVB:1999:AA3661 en 11 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2317).

Voor een veroordeling tot vergoeding van schade is vereist dat deze schade verband houdt met het onrechtmatige besluit en voorts dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. Bij de beoordeling of de schade toegerekend moet worden is ook de aard en strekking van het vernietigde besluit een relevante factor (uitspraak van 8 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM8044).

Niet in geschil is dat de onder 1.1 en 1.2 genoemde besluiten van 21 december 2012 en 10 juni 2013, die volgens appellant schade hebben veroorzaakt, onrechtmatig zijn.

Materiële schade

Appellant heeft, evenals in beroep, aangevoerd als gevolg van de onrechtmatige intrekking materiële schade te hebben geleden, waaronder fiscale schade en de bestuursrechtelijke premie zorgverzekering. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Appellant heeft van de gestelde fiscale schade noch van de gestelde schade in de vorm van bestuursrechtelijke premie zorgverzekering bewijsstukken overgelegd. De rechtbank heeft juist geoordeeld dat reeds daarom het verzoek om vergoeding van deze schadeposten door het college terecht is afgewezen.

De ter zitting van de Raad over de fiscale schade ingenomen stelling van appellant dat het in de rede ligt dat door de Belastingdienst een naheffing zal plaatsvinden, kan - wat hiervan ook zij - aan het vorenstaande niet afdoen.

Immateriële schade

Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Ten aanzien van de beweerdelijk geleden immateriële schade heeft appellant aangevoerd dat hij als gevolg van de onrechtmatige intrekking in de periode van december 2012 tot en met maart 2015, 28 maanden lang, in onrust, spanning en frustratie heeft geleefd. In deze periode is hij immers zijn huis kwijtgeraakt en moest hij zijn kinderen, die hij verzorgde, afgeven aan de moeder (zijn ex-partner). Alle omstandigheden afwegend is het volgens appellant billijk een schadevergoeding toe te kennen van € 10.000,-. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij met de door het college toegekende vergoeding van € 1.500,- wegens onrust, spanning en frustratie, tekort is gedaan.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van T. Ali als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2020.

(getekend) M. Hillen

(getekend) T. Ali

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl PS-Updates.nl 2020-0244
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?