18-1458 ANW
Datum uitspraak: 26 maart 2020
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 februari 2018, 17/3699 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.H. Steenbergen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd een nader stuk ingezonden.
De gemachtigde van appellante heeft de gronden van het hoger beroep aangevuld en nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020. Voor appellante is mr. Steenbergen verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.
OVERWEGINGEN
Appellante ontving sinds 1 juli 2009 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). In juni 2014 heeft de gemeente Schiedam aan de Svb gemeld een tip te hebben gekregen dat appellante in Marokko in het huwelijk was getreden met [R.] (R) en dat zij met hem zou samenwonen. In reactie hierop is de Svb een onderzoek gestart naar de woon- en leefsituatie van appellante. De conclusie was dat er geen aanwijzingen waren dat appellante en R zouden samenwonen of gehuwd zouden zijn. In oktober 2015 is het onderzoek opnieuw opgestart en is ook onderzoek gedaan in Marokko. Op 14 juni 2016 heeft het Bureau voor sociale zaken van de ambassade in Rabat de Svb gemeld dat appellante, volgens de burgerlijke stand van [Z.] , op 9 mei 2011 gehuwd was met R. Van dit huwelijk is een huwelijksakte opgemaakt. Bij besluit van 21 december 2016 is de nabestaandenuitkering van appellante per 1 juni 2011 beëindigd. Bij besluit van dezelfde datum is de over de periode van juni 2011 tot en met juni 2016 betaalde uitkering ten bedrage van € 74.358,66 van appellante teruggevorderd.
In bezwaar is door appellante een Administratieve verklaring overgelegd van de gemeente [Z.] , waarin is opgenomen dat appellante weduwe is en niet opnieuw in het huwelijk is getreden. Appellante stelt dat er dusdanig veel gebreken kleven, formeel en feitelijk, aan de overgelegde huwelijksakte, dat deze niet tot bewijs kan dienen. Eveneens heeft appellante een aantal verklaringen van familieleden ingezonden, die allen verklaren dat appellante niet opnieuw in het huwelijk is getreden. Bij beslissing op bezwaar van 14 april 2017 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen de besluiten 21 december 2016 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank blijkt uit de kopie van de huwelijksakte dat er naar Marokkaans recht een rechtsgeldig huwelijk tot stand is gekomen. Hieruit volgt dat appellante gehuwd is en geen recht meer heeft op een nabestaandenuitkering.
3. In hoger beroep heeft appellante herhaald wat zij ook in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Daarnaast heeft zij erop gewezen dat zij op 6 september 2018 door de politierechter is vrijgesproken. Haar was tenlastegelegd dat zij – kort samengevat – in de periode hier van belang in strijd met de haar in artikel 35 van de ANW opgelegde verplichting opzettelijke heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken nu zij opzettelijk heeft verzwegen dan wel heeft nagelaten te melden aan de Svb dat zij gehuwd was met R, terwijl zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat die gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op uitkering.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad kan zich vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Naar aanleiding van het hoger beroep overweegt hij het volgende.
Door de Svb is overgelegd een verklaring van de notariële rechter van de rechtbank in [X.] dat zich in het huwelijksregister te [X.] een huwelijksakte bevindt. In deze verklaring is de inhoud van die huwelijksakte opgenomen. Daaruit blijkt dat appellante met R in het huwelijk is getreden en dat beiden deze akte op 19 mei 2011 hebben ondertekend.
Appellante heeft geen gegevens aangedragen die aannemelijk maken dat geen sprake is van een huwelijk tussen haar en R. Dat R in de huwelijksakte als ‘ongehuwd’ vermeld staat, terwijl hij in Nederland gehuwd was, toont niet aan dat de huwelijksakte ongeldig is. Het is immers zeer wel mogelijk dat dit huwelijk in Marokko niet geregistreerd was en daardoor niet is vermeld. Bovendien is – zoals de Svb heeft aangevoerd – in Marokko een polygaam huwelijk mogelijk. Ook de door appellante overgelegde verklaring dat appellante weduwe is en niet opnieuw in de echt is getreden na het overlijden van haar echtgenoot, kan niet tot het oordeel leiden dat de huwelijksakte ongeldig is. Niet duidelijk is waarop deze ‘administratieve verklaring’ is gebaseerd.
De Svb heeft met de verklaring van de notariële rechter voldoende aangetoond dat appellante in mei 2011 in het huwelijk is getreden en daarom geen recht meer had op een nabestaandenuitkering.
In hoger beroep heeft appellante gewezen op de onder 3 genoemde vrijspraak door de politierechter. Zij heeft gesteld dat het in het bestreden besluit neergelegde oordeel dat zij niet heeft voldaan aan de in artikel 35 van de ANW neergelegde inlichtingenverplichting, in strijd is met de onschuldpresumptie zoals gewaarborgd bij artikel 6, tweede lid, van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De vrijspraak waarop appellante zich beroept is neergelegd in een aantekening mondeling vonnis. De reden van de vrijspraak blijkt hieruit niet.
Voor de wijze van toetsing van de onschuldpresumptie en de toepassing daarvan in een geval als het onderhavige verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 11 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3937. Ook in deze zaak geldt dat in de strafrechtelijke procedure aan de orde was of appellante opzettelijk de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. In de voorliggende procedure moet, gelet op het beleid van de Svb over herziening van rechtens onaantastbare besluiten ten nadele van de betrokkene, de vraag worden beantwoord of appellante al haar verplichtingen is nagekomen, zonder dat daarbij opzet een rol speelt. Voorts is van belang dat in de procedure over de intrekking en terugvordering van een uitkering minder strenge bewijsregels gelden dan in de strafrechtelijke procedure. Evenals in de uitspraak van 11 december 2018 is hier geen sprake van schending van artikel 6, tweede lid van het EVRM.
Het in 4.1 tot en met 4.6 overwogene leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en
M.M. van der Kade en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van C.M. van de Ven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2020.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) C.M. van de Ven