ECLI:NL:CRVB:2020:801

ECLI:NL:CRVB:2020:801, Centrale Raad van Beroep, 26-03-2020, 18/1373 ZW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 26-03-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/1373 ZW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001888 BWBR0032089

Samenvatting

Beëindiging ziekengeld. Afdoende motivering in hoger beroep door uit te gaan van de juiste maatstaf arbeid. Proceskostenveroordeling.

Uitspraak

18. 1373 ZW

Datum uitspraak: 26 maart 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

31 januari 2018, 17/2438 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als voltijds cateringmedewerker toen zij zich op 12 november

2013 heeft ziekgemeld met klachten aan haar rechterarm en schouders. Nadat het dienstverband van appellante is beëindigd, heeft het Uwv haar met ingang van 31 december 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) is de ZW-uitkering van

appellante met ingang van 12 december 2014 beëindigd omdat appellante met passende functies meer dan 65% van haar maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Aan appellante is vervolgens een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend.

Appellante is per 21 maart 2016 voor vijftien uur per week werkzaamheden gaan verrichten als medewerker huishoudelijke dienst bij [naam stichting], Stichting voor Thuiszorg ([naam stichting]). [naam stichting] is eigenrisicodrager voor de uitvoering van de ZW. Met ingang van 28 maart 2016 heeft appellante zich bij [naam stichting] ziekgemeld met toegenomen rugklachten. Tevens heeft appellante zich vanuit de Werkloosheidswet (WW) bij het Uwv ziekgemeld. In het kader van deze laatste ziekmelding is appellante met ingang van 14 juli 2016 hersteld verklaard voor de bij de EZWb geselecteerde functies en is de toegekende ZW-uitkering per die datum beëindigd. De WW-uitkering van appellante is daarop voortgezet tot 28 juli 2016.

Per 5 april 2016 is het dienstverband van appellante met [naam stichting] beëindigd. Op 23 augustus 2016 heeft appellante naar aanleiding van haar ziekmelding het spreekuur van de bedrijfsarts van [naam stichting] bezocht. De bedrijfsarts heeft aan [naam stichting] te kennen gegeven dat appellante niet ongeschikt is voor het verrichten van haar arbeid als medewerker huishoudelijke dienst. Op verzoek van [naam stichting] heeft het Uwv bij besluit van 1 september 2016 appellante met ingang van 23 augustus 2016 hersteld verklaard voor haar arbeid van medewerker huishoudelijke dienst. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 september 2016 heeft het Uwv bij besluit van 7 maart 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag waarin deze concludeert dat appellante geschikt is voor haar arbeid, te weten: de op 12 december 2014 bij de EZWb geselecteerde functies.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond

verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig tot stand is gekomen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende heeft toegelicht dat geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden en dat appellante geschikt kan worden geacht voor één van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd geen arbeid te kunnen verrichten wegens toegenomen rugklachten en vermoeidheidsklachten. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst appellante naar de reeds eerder ingebrachte medische stukken.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Gelet op de uitspraken van de Raad van 21 augustus 2019, waaronder ECLI:NL:CRVB:2019:2785, heeft het Uwv in hoger beroep alsnog het standpunt ingenomen dat voor de maatstaf arbeid uitgegaan moet worden van het werk als medewerker huishoudelijke dienst voor 15 uur per week. Het Uwv heeft geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellante in deze functie niet wordt overschreden. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep overgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Gelet op de onder 3.2 genoemde rechtspraak heeft het Uwv in hoger beroep terecht de laatstelijk door appellante verrichte arbeid van medewerker huishoudelijke dienst, gewoonlijk kenmerkend bij een soortgelijke werkgever, als maatstaf aangemerkt. Het Uwv heeft daarbij het standpunt gehandhaafd dat het ziekengeld terecht is beëindigd, omdat appellante op 23 augustus 2016 niet ongeschikt was voor het verrichten van de arbeid van medewerker huishoudelijke dienst.

Er zijn geen aanknopingspunten om de juistheid van dit medisch oordeel in twijfel te trekken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich bij zijn beoordeling gebaseerd op informatie van de huisarts, waarin staat vermeld dat de pijn en vermoeidheidsklachten van appellante een gevolg zijn van hypertonie, stand- en spanningsklachten aan de rug. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend gemotiveerd dat deze medische feiten niet in de weg staan aan het verrichten van het werk van medewerker huishoudelijke dienst gedurende 3 uur per dag en vijf dagen per week.

5. De overwegingen in 4.1 en 4.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. Het Uwv heeft het bestreden besluit eerst in hoger beroep afdoende gemotiveerd door uit te gaan van de juiste maatstaf arbeid. Deze schending van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder toepassing van artikel 6:22 gepasseerd, omdat aannemelijk is dat belanghebbenden door deze schending niet zijn benadeeld. Ook als het gebrek zich niet zou hebben voorgedaan zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Het bestreden besluit blijft in stand en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van gronden.

6. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 525,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 525,- in hoger beroep. In totaal komt een bedrag van € 1.050,- voor vergoeding in aanmerking.

7. Tevens is er aanleiding te bepalen dat het Uwv het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep aan appellante vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2020.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) F.E.M. Boon

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2020-1019 met annotatie van A. Wit VAAN-AR-Updates.nl 2020-1019
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?