ECLI:NL:CRVB:2020:929

ECLI:NL:CRVB:2020:929, Centrale Raad van Beroep, 14-04-2020, 17/5895 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 14-04-2020
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 17/5895 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 3 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0015703 BWBR0034925

Samenvatting

Ten onrechte bijstand ingetrokken op de grondslag dat appellante gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Hoofdverblijf van vermeende partner bij appellante is niet voldoende vast komen te staan.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante heeft zich op 29 oktober 2015 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) in aanvulling op haar inkomsten uit arbeid. In het kader van de aanvraag heeft appellante opgegeven samen met haar zoontje te wonen op adres A te [gemeente 1] (opgegeven adres).

Naar aanleiding van de aanvraag heeft een consulent inkomen van de gemeente Veendam (consulent) appellante uitgenodigd voor een intakegesprek op 12 november 2015. Op

11 november 2015 heeft de ex-partner van appellante, X, telefonisch aan het college doorgegeven dat appellante niet kan komen naar het intakegesprek, omdat zij een examen moet doen. Vervolgens heeft de consulent appellante nogmaals uitgenodigd voor een intakegesprek, ditmaal op 23 november 2015. Op 23 november 2015 heeft X doorgegeven dat appellante niet naar het gesprek kan komen omdat zij, samen met hem, een ongeluk heeft gehad en zij in het ziekenhuis ligt. Naar aanleiding hiervan ontstaat bij de consulent het vermoeden dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met X en doet de consulent op 24 november 2015 om 17.00 uur een waarneming nabij het opgegeven adres waar X wordt gezien voor het raam van de woning van appellante. Appellante wordt opnieuw uitgenodigd voor een intakegesprek op 30 november 2015, waar zij samen met X naar toe komt. Zij en X verklaren onder meer dat X sinds de datum van het ongeluk bij appellante verblijft om haar te ondersteunen. Tijdens een hierop volgend huisbezoek op het opgegeven adres wordt kleding van X in de kledingkast in de woonkamer aangetroffen en verklaart X dat hij administratie tussen de papieren van appellante heeft liggen.

Bij besluit van 14 december 2015 heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat het recht op bijstand over de periode van 29 oktober 2015 tot en met (lees tot) 22 november 2015 niet vastgesteld kan worden in verband met een onduidelijke financiële situatie en dat appellante vanaf 22 november 2015 geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder heeft omdat zij met ingang van die datum een gezamenlijke huishouding voert met X.

Bij besluit van 17 januari 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 december 2015 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat X zijn hoofdverblijf op het opgegeven adres heeft en aangezien uit de relatie tussen appellante en X een kind is geboren, is op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW sprake van een gezamenlijke huishouding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college niet heeft gemotiveerd waarom appellante over de periode van 29 oktober 2015 tot 22 november 2015 geen recht op bijstand heeft. Voor de periode vanaf 22 november 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college terecht heeft aangenomen dat appellante en X een gezamenlijke huishouding voerden.

In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij het nader besluit aan appellante bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder toegekend over de periode van 29 oktober 2015 tot en met 21 november 2015 en vastgesteld dat appellante met ingang van 22 november 2015 een gezamenlijke huishouding voert met X.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling betrokken.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de PW is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en ze blijk geven zorg voor elkaar te dragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de PW is een zogeheten onweerlegbaar rechtsvermoeden neergelegd inhoudende dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellante en X een kind is geboren, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de periode in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Het hoofdverblijf van iemand ligt daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven ligt. Het antwoord op de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De aard van de relatie van betrokkenen en hun subjectieve beleving blijven voor de toepassing van de PW buiten beschouwing.

De Raad stelt vast, en tussen partijen is niet in geschil, dat de beperking in het nader besluit van de toekenning van bijstand tot 22 november 2015 neer komt op een intrekking van de bijstand per die datum.

Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

Het college heeft het hoofdverblijf van X bij appellante gebaseerd op de verklaring van X van 30 november 2015, dat hij bij appellante verbleef om haar te ondersteunen, het huisbezoek van 30 november 2015, waarover in algemene bewoordingen in een algemene rapportage is gerapporteerd dat kleding van X in de kledingkast in de woonkamer ligt en dat X tijdens het huisbezoek heeft verklaard dat tussen de papieren van appellante ook nog administratie van hem ligt. Zoals appellante terecht heeft aangevoerd, bieden deze onderzoeksbevindingen evenwel onvoldoende grondslag voor het oordeel dat X in de periode van 22 november 2015 tot en met 14 december 2015 (te beoordelen periode) zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning van appellante. Zo heeft X ook verklaard dat hij bij zijn moeder in [gemeente 2] woont. Verder zijn de bevindingen van het huisbezoek beperkt. Niet duidelijk is om hoeveel en welke kledingstukken van X het gaat. Evenmin is duidelijk om welke administratie en van welke datum het concreet gaat. Verder is geen informatie bekend over persoonlijke spullen van X, zoals meubels, verzorgingsartikelen, medicijnen of voor hem bestemde post. Het college heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat X het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven op het opgegeven adres had.

Uit 4.6 volgt dat geen toereikende feitelijke grondslag bestaat voor het oordeel dat appellante en X vanaf 22 november 2015 een gezamenlijke huishouding voerden. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt, voor zover dat ziet op het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een gezamenlijke huishouding vanaf 22 november 2015. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank het college heeft opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Omdat de rechtbank het beroep al gegrond heeft verklaard en het besluit van 17 januari 2017 in zijn geheel heeft vernietigd, zal de Raad doende wat de rechtbank zou behoren te doen, volstaan met herroeping van het besluit van 14 december 2015, omdat aan dat besluit hetzelfde gebrek kleeft als aan het besluit van 17 januari 2017, en aan appellante bijstand toekennen naar de norm voor een alleenstaande ouder vanaf

29 oktober 2015. Het beroep tegen het nader besluit van 8 september 2017 is gegrond omdat daaraan de grondslag is komen te ontvallen.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 525,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. Hillen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van T. Ali als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2020.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) T. Ali

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JWWB 2020/131
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?