20. 990 WAO
Datum uitspraak: 28 mei 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 maart 2020, 19/5713 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken aan de Raad toegestuurd.
Bij brief van 19 maart 2021 heeft appellant verzocht om wraking van de behandelend rechter. Dit verzoek is bij uitspraak van 12 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:817 afgewezen.
Het onderzoek ter zitting heeft – gevoegd met zaak 18/3945 WLZ – plaatsgevonden op
16 april 2021. Appellant en het Uwv hebben via videobellen deelgenomen aan de zitting. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door W. van den Berg.
In zaak 18/3945 WLZ wordt vandaag afzonderlijk uitspraak gedaan.
OVERWEGINGEN
1. Appellant heeft op 6 augustus 2019 een bezwaarschrift bij het Uwv ingediend. Bij besluit van 28 augustus 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat alleen bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. De meest recente beslissing van het Uwv gericht aan appellant dateert van 19 juni 2018 en niet is gebleken dat appellant tegen dat besluit bezwaar heeft gemaakt of bezwaar wilde instellen.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank was er ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift geen primair besluit genomen, zodat het Uwv het bezwaar terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.
In hoger beroep heeft appellant onder meer uitgebreid beargumenteerd dat het Uwv nader onderzoek moet doen naar zijn arbeidsverleden in de jaren ’80 in de koopvaardij en de gang van zaken met betrekking tot zijn ontslag. Dit is volgens appellant van belang voor de vaststelling van zijn pensioen bij het pensioenfonds voor de koopvaardij.
Het Uwv heeft betoogd dat het niet de taak van het Uwv is een dergelijk onderzoek te verrichten. Appellant ontvangt sinds 1986 van het Uwv een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en met die uitkering lijkt appellant geen problemen te hebben. Het bezwaarschrift van appellant was niet gericht tegen een besluit van het Uwv en is daarom niet-ontvankelijk verklaard.
4. De Raad oordeelt als volgt.
De rechtbank heeft het beroep van appellant terecht ongegrond verklaard. Appellant heeft een bezwaarschrift aan het Uwv toegestuurd terwijl dit bezwaarschrift niet was gericht tegen een door het Uwv genomen besluit. Daarom heeft het Uwv het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Raad merkt nog op dat appellant kennelijk met zijn bezwaarschrift wilde bereiken dat het Uwv een nader onderzoek zou instellen, maar dat een dergelijk onderzoek niet behoort tot de taken van het Uwv.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2021.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) M. Buur