ECLI:NL:CRVB:2021:178

ECLI:NL:CRVB:2021:178, Centrale Raad van Beroep, 28-01-2021, 20/365 AOW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 28-01-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/365 AOW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002221 BWBR0005537

Samenvatting

AOW-ouderdomspensioen terecht herzien naar een pensioen voor een gehuwde. Geen sprake van duurzaam gescheiden leven. Beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Appellant kon uit de gegeven uitlatingen niet afleiden dat zijn ouderdomspensioen na een geregistreerd partnerschap ongewijzigd zou blijven.

Uitspraak

20. 365 AOW

Datum uitspraak: 28 januari 2021

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 december 2019, 19/3721 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2020. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich via beeldbellen laten vertegenwoordigen door

mr. A.F.L.B. Metz.

OVERWEGINGEN

Appellant ontvangt sinds december 2014 een ongehuwdenpensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Appellant heeft op 11 december 2018 bij de Svb geïnformeerd naar de mogelijke gevolgen van een geregistreerd partnerschap voor zijn ouderdomspensioen. Bij brief van 19 december 2018 heeft de Svb appellant medegedeeld dat bij trouwen of een geregistreerd partnerschap recht bestaat op een gehuwdenpensioen, tenzij sprake is van duurzaam gescheiden leven. Op 13 maart 2019 is appellant een geregistreerd partnerschap aangegaan met [naam partner] (partner). Daarop heeft de Svb bij besluit van 1 april 2019 het ouderdomspensioen van appellant per 1 april 2019 herzien naar een pensioen voor een gehuwde.

Bij beslissing op bezwaar van 21 juni 2019 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 1 april 2019 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat uit wat appellant en zijn partner in het formulier met vragen over de woon- en leefsituatie hebben ingevuld, niet blijkt dat sprake is van duurzaam gescheiden leven.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat niet blijkt dat appellant duurzaam gescheiden leeft van zijn partner. De rechtbank acht daarbij van belang dat appellant en zijn partner regelmatig dingen met elkaar doen, zoals koken, uitstapjes maken en bij elkaar overnachten. Zij presenteren zich naar buiten toe als stel en hebben de sleutel van elkaars woning. Uit het gegeven dat het geregistreerd partnerschap is aangegaan omdat de omgeving van zijn partner niet accepteert dat zij ongehuwd samenleven, heeft de rechtbank afgeleid dat appellant en zijn partner een gezamenlijk leven hebben. Verder hebben appellant en zijn partner plannen om te gaan samenwonen. Gelet op het samenstel van omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een duurzaam gescheiden leven tussen appellant en zijn partner. Tot slot is de rechtbank, onder verwijzing naar de onder 1.1 genoemde brief van de Svb van 19 december 2018, van oordeel dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.

3. Appellant is het in hoger beroep niet eens met het oordeel van de rechtbank. Hij handhaaft zijn standpunt dat sprake is van een situatie van duurzaam gescheiden leven. Appellant heeft aangevoerd dat hij voorafgaand aan het aangaan van het geregistreerd partnerschap bij de Svb informatie heeft gevraagd over de gevolgen voor zijn ouderdomspensioen. Door het antwoord hierop van de Svb in de brief van 19 december 2018, hebben appellant en zijn partner gekozen voor een geregistreerd partnerschap. Verder heeft appellant aangevoerd dat het voor hem onbegrijpelijk is dat de Svb en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de situatie van zijn partner en hem anders beoordelen, terwijl sprake is van dezelfde feiten en omstandigheden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In geschil is of vanaf april 2019 bij appellant sprake was van duurzaam gescheiden leven en hij daarom terecht een ouderdomspensioen voor een ongehuwde heeft ontvangen.

In artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, van de AOW is bepaald dat de als partner geregistreerde wordt gelijkgesteld met een gehuwde. Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, wordt als ongehuwde mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij is gehuwd.

Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden leven sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk hun eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig is bedoeld. Verder is in de rechtspraak tot uitdrukking gebracht dat in het algemeen kan worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk de betrokkenen de intentie hebben een echtelijke samenleving – al dan niet op termijn – aan te gaan, maar dat het niet is uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt. Gezien het bepaalde in artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, van de AOW geldt dit evenzeer voor het aangaan van een geregistreerd partnerschap.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op basis van de hier aan de orde zijnde feiten en omstandigheden, zoals die naar voren zijn gekomen uit het onderzoek van de Svb, niet is gebleken dat sprake was van duurzaam gescheiden leven. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust en verwijst daarnaar. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, wat in essentie een herhaling vormt van wat hij in beroep heeft aangevoerd, biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. De Raad voegt daar nog aan toe dat de stukken die appellant in hoger beroep heeft ingezonden erop wijzen dat het Uwv bij het onderzoek naar de leefsituatie van de partner van appellant niet is uitgegaan van het criterium duurzaam gescheiden leven, maar van het criterium gezamenlijke huishouding. Dat laatste criterium is alleen aan de orde als geen sprake is van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap. Bovendien zijn de Svb en het Uwv afzonderlijke bestuursorganen, die ieder hun eigen taken uitvoeren.

De Raad deelt niet de opvatting van appellant dat hij niet, dan wel niet volledig, door de Svb is voorgelicht over de gevolgen in het kader van de AOW van zijn voornemen om een geregistreerd partnerschap aan te gaan en dat hij daarom ten onrechte met een herziening van zijn ouderdomspensioen is geconfronteerd. Uit de stukken blijkt dat appellant door de Svb schriftelijk op 19 december 2018 is geïnformeerd over de verlaging van zijn ouderdomspensioen bij een geregistreerd partnerschap. Hij is er daarbij op gewezen dat een eventuele situatie van duurzaam gescheiden leven afhankelijk is van meerdere factoren. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel, zoals het standpunt van appellant wordt begrepen, is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden hoe het bestuursorgaan in een concreet geval zal beslissen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:890). Appellant kon uit de gegeven uitlatingen niet afleiden dat zijn ouderdomspensioen na een geregistreerd partnerschap ongewijzigd zou blijven. Het voorgaande betekent dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2021.

(getekend) A. van Gijzen

(getekend) R.H. Koopman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?