20. 3017 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 augustus 2020, 19/6053 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
Datum uitspraak: 20 juli 2021
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: R.I.S. van Haaren
Ter zitting is verschenen: [appellant]
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar van appellant van 7 oktober 2019 tegen besluiten tot herziening, intrekking en terugvordering van bijstand van 14 en 23 januari 2019.
Niet in geschil is dat het bezwaar te laat is ingediend. De vraag is of dat bezwaar verschoonbaar te laat is ingediend. Dat zou betekenen dat niet redelijkerwijs geoordeeld kan worden dat appellant in verzuim is geweest.
Appellant heeft er in dit verband op gewezen dat hij ten tijde van de besluiten van 14 en 23 januari 2019 in detentie verbleef en het college daarvan wist. Appellant kon door detentie zijn inschrijving in de Basisregistratie personen (BRP) niet zelf wijzigen. Alleen een casemanager van de penitentiaire inrichting kon een wijziging in de BRP verzorgen.
De omstandigheid dat het college ten tijde van de verzending van de besluiten van 14 en 23 januari 2019 ermee bekend was dat appellant in detentie verbleef, is onvoldoende om te oordelen dat de besluiten daardoor niet op juiste wijze zijn bekendgemaakt. Als het college niet wordt geïnformeerd over een ander verblijfadres en niet is verzocht post naar dat adres of een ander adres te sturen, kan het college niet anders dan verzenden naar het laatst bekende adres dat correspondeert met het BRP-adres. Het is aan appellant om bij langdurige afwezigheid, zoals detentie, passende en toereikende maatregelen te treffen voor de verzorging van de post, waardoor hij of een door hem aangewezen persoon tijdig kennis neemt van relevante informatie, zoals de hier aan de orde zijnde besluiten. Niet gebleken is dat appellant niet in staat was om ervoor te zorgen dat de voor hem bestemde post op een tijdige en juiste wijze werd verzorgd. Dat appellant ervan uitging dat zijn casemanager in de penitentiaire inrichting de wijziging had doorgegeven, terwijl dit niet het geval bleek te zijn, komt voor zijn rekening en risico. Nu appellant niet de nodige maatregelen heeft genomen om (tijdig) kennis te kunnen nemen van de voor hem bestemde post, waaronder de besluiten van 14 en 23 januari 2019, is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
De in hoger beroep aangevoerde grond slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
Voor een kostenveroordeling bestaat dan geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R.I.S. van Haaren (getekend) P.W. van Straalen