OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de strekking van het middel van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
2. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013 bepaalt dat de wrakingskamer, zonder daartoe een zitting te houden, kan beslissen dat een verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen indien het verzoek evident blijk geeft van misbruik van het wrakingsmiddel.
3. Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de behandelend rechter in zijn uitspraken systematisch dwingend recht van de EU heeft geschonden. Daarbij heeft hij benadrukt dat het huidige geschil een verzoek om herziening betreft van besluiten waarover de behandelend rechter eerder heeft geoordeeld.
Zoals de Raad onder meer in zijn beslissingen van 18 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2467 en 1 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1504 naar aanleiding van door verzoeker eerder ingediende wrakingsverzoeken al heeft overwogen, heeft onpartijdigheid van een rechter niet reeds te lijden onder de omstandigheid dat die rechter eerder uitspraak heeft gedaan in een zaak waarin verzoeker partij was en daarbij in het ongelijk is gesteld of dat de rechter al eerder in een of meer andere gedingen over de in geschil zijnde rechtsvraag heeft geoordeeld. Ook overigens heeft verzoeker geen feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die leiden tot het oordeel dat sprake is van een zwaarwegende aanwijzing dat de behandelend rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of dat bij verzoeker daartoe een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat.
Mede gelet op de door verzoeker gehanteerde wrakingsgrond, waarvan hij weet dat deze niet kan slagen en het feit dat verzoeker slechts zeer kort voor de zitting het wrakingsverzoek heeft ingediend, wordt geconcludeerd dat verzoeker misbruik maakt van de mogelijkheid wrakingsverzoeken in te dienen. Van belang is voorts dat verzoeker in andere hoger beroepen die hij heeft ingesteld eveneens wrakingsverzoeken heeft ingediend. Deze verzoeken zijn evenmin in behandeling genomen omdat ook daarin is vastgesteld dat verzoeker misbruik maakt van de mogelijkheid om wrakingsverzoeken in te dienen. Verwezen wordt naar de beslissingen van de Raad van 15 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:182, en van 30 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4205. Het verzoek zal daarom niet in behandeling worden genomen.
Gelet op wat onder 4.2 is overwogen bestaat tevens aanleiding gebruik te maken van de in artikel 8:18, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om te beslissen dat een volgend verzoek van verzoeker om wraking in dit hoger beroep niet in behandeling wordt genomen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- neemt het verzoek om wraking niet in behandeling;
- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker om wraking in dit hoger beroep niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven door E.J.M. Heijs als voorzitter en A.J. Schaap en T. Dompeling als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2021.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) P.W.J. Hospel