20. 3050 PW
Datum uitspraak: 10 augustus 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 21 augustus 2020, 19/3498 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D.M. Gijzen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2021. Appellante is verschenen. De gemachtigde van appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante ontving vanaf 11 juli 2012 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Appellante heeft van 16 december 2018 tot en met 13 juli 2019 in Kameroen verbleven. Op 14 juli 2019 is appellante teruggekeerd naar Nederland. Appellante is naar Kameroen vertrokken om haar ernstig zieke vader te bezoeken. De vader van appellante is op 30 april 2019 overleden.
Bij besluit van 9 augustus 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 december 2019 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellante over de periode van 13 januari 2019 tot en met 13 juli 2019 ingetrokken op de grond dat zij langer verblijf heeft gehouden buiten Nederland dan toegestaan en dat geen sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft met verwijzing naar artikel 16, eerste lid, van de PW aangevoerd dat zij van 13 januari 2019 tot en met 14 juli 2019 zeer ernstig ziek was. Appellante heeft daartoe gewezen op van haar huisarts op 30 september 2020 verkregen medische informatie.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Niet in geschil is dat appellante van 13 januari 2019 tot en met 13 juli 2019 op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW was uitgesloten van het recht op bijstand. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of het college appellante over die periode op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW toch bijstand heeft moeten verlenen.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de PW kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van onder meer artikel 13 van de PW, bijstand verlenen aan een persoon die geen recht op bijstand heeft indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr. 3, blz. 46-47) volgt dat zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW zich voordoen als sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Artikel 16, eerste lid, van de PW is een uitzonderingsbepaling. Zoals vaker overwogen (uitspraak van 1 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK6576) ligt het daarom op de weg van appellante om aannemelijk te maken dat van een acute noodsituatie sprake was en dat die alleen met bijstandsverlening te verhelpen was.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 27 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808) is een noodsituatie acuut als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn.
Appellante heeft met de door haar overgelegde medische informatie niet aannemelijk gemaakt dat haar medische situatie in de periode van 13 januari 2019 tot en met 13 juli 2019 te kwalificeren is als een acute noodsituatie in de onder 4.3 bedoelde zin. Uit die informatie blijkt niet van medische problemen in die periode. Het beroep op zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW slaagt alleen daarom al niet.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en K.M.P. Jacobs en P.J. Huisman als leden, in tegenwoordigheid van W.E.M. Maas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2021.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) W.E.M. Maas