OVERWEGINGEN
De Raad wijzigt de uitspraak van 17 juni 2021, 18/369 WIA als volgt.
Na overweging 4.13 van de uitspraak worden de volgende overwegingen aan de uitspraak toegevoegd:
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In dit geval is de op 18 maart 2020 geplande zitting uitgesteld als gevolg van de naar aanleiding van de uitbraak van het coronavirus met ingang van 16 maart 2020 getroffen ingrijpende maatregelen. De onderliggende zaak is hierna op 12 november 2020 alsnog ter zitting behandeld. Naar het oordeel van de Raad is de coronacrisis een uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie die voldoende reden geeft om een langere redelijke termijn dan een termijn van vier jaar te hanteren. De termijn wordt met vier maanden verlengd. Daarbij is rekening gehouden met de periode waarin de gerechtsgebouwen gesloten waren en een termijn van twee maanden voor het opnieuw inplannen van verdaagde zittingen (vgl. CRvB 6 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1116). Dit betekent dat de redelijke termijn in dit geval vier jaar en vier maanden bedraagt.
Het bezwaarschrift van appellant is door het Uwv ontvangen op 24 februari 2017. Op het moment van het doen van deze uitspraak is vier jaar en minder dan vier maanden verstreken. Dit betekent dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen
De nieuwe beslissing gaat luiden:
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Aan deze uitspraak tot rectificatie is een gerectificeerd exemplaar van de oorspronkelijke uitspraak gehecht. De gerectificeerde uitspraak zal worden gepubliceerd op rechtspraak.nl.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep rectificeert zijn uitspraak van 17 juni 2021 als in de overwegingen is weergegeven.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2021.
(getekend) S. Wijna
(getekend) R.L. Rijnen