20. 926 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2020, 19/3271 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 november 2021
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad schriftelijke inlichtingen gegeven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2021. Appellant en het Uwv zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Appellant is werkzaam geweest als vrachtdienstmedewerker voor 36 uur per week. Zijn dienstverband is op 1 februari 2016 geëindigd. Appellant heeft zich op 18 februari 2019 ziek gemeld met psychische klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
Op 14 maart 2019 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 14 maart 2019 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van vrachtdienstmedewerker. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 19 maart 2019 de ZW-uitkering van appellant per 14 maart 2019 beëindigd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 7 mei 2019 (bestreden besluit) kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift na afloop van de wettelijke bezwaartermijn van twee weken is ingediend en die overschrijding niet verschoonbaar is.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat is gebleken dat appellant het besluit van 19 maart 2019 op 21 maart 2019 heeft ontvangen. In dat besluit staat duidelijk dat appellant vóór 3 april 2019 schriftelijk bezwaar kon maken. Uit een telefoonnotitie van 26 maart 2019 blijkt verder dat de medewerker van het Uwv met wie appellant (of iemand anders namens appellant) telefonisch contact heeft gehad met hem heeft gesproken over de mogelijkheid bezwaar te maken en wanneer dat bezwaar uiterlijk moet zijn ontvangen. De rechtbank heeft overwogen dat het op de weg van appellant ligt om met medische gegevens te onderbouwen dat hij door ziekte niet in staat was om tijdig bezwaar te maken. Uit vaste rechtspraak volgt bovendien dat het in dergelijke gevallen aan appellant is om toereikende maatregelen te treffen ter behartiging van zijn belangen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 24 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1265). Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het Uwv zijn bezwaar tegen het besluit van 19 maart 2019 ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij tijdig, namelijk binnen twee weken na ontvangst van dat besluit op 21 maart 2019, bezwaar heeft gemaakt.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van de Raad van 15 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9423) in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Verder dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Contra-indicaties kunnen echter meebrengen dat geoordeeld moet worden dat het besluit wel moet zijn ontvangen, waarmee − zonder nader bewijs − ook de verzending aannemelijk is. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd waaruit moet worden afgeleid dat de aanbieding van het poststuk met het besluit aan het adres van de belanghebbende wel heeft plaatsgevonden.
Vaststaat dat het Uwv het besluit van 19 maart 2019 per gewone post heeft verzonden. Appellant stelt dat hij het besluit op 21 maart 2019 heeft ontvangen. Het Uwv heeft te kennen gegeven dat een registratie van de verzending ontbreekt en dat het Uwv niet aannemelijk kan maken dat het besluit op 19 maart 2019 aan appellant is verzonden. Gesteld noch gebleken is dat er contra-indicaties zijn op basis waarvan geoordeeld moet worden dat appellant eerder dan 21 maart 2019 bekend is geworden met het besluit van 19 maart 2019. Gelet hierop kan niet worden aangenomen dat de termijn voor het maken van bezwaar een dag na 19 maart 2019 is aangevangen. Uitgaande van een aanvang van de bezwaartermijn op 21 maart 2019, is het bezwaarschrift van 3 april 2019 tijdig ingediend. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant ten onrechte (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Er zijn onvoldoende gegevens beschikbaar om het geschil definitief te beslechten. Het Uwv krijgt daarom de opdracht om opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 19 maart 2019 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
5. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten in beroep en hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.496,- in beroep en € 748,- in hoger beroep.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van J.J.C. Vorias als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2021.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) J.J.C. Vorias