18 5139 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 23 november 2021
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 augustus 2018, 17/5760 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.J. Brosius, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het college heeft desgevraagd nadere inlichtingen verstrekt. Daarbij heeft het college afschriften ingezonden van een beslissing op bezwaar van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) van 2 maart 2020 en van zijn besluit van 30 april 2020.
Partijen hebben nadere stukken ingezonden.
Appellante heeft toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen. Het college heeft niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. Hierna heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante werkte bij [Naam B.V.] B.V. (werkgever). Bij beschikking van 22 september 2016 heeft de kantonrechter van de rechtbank op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst met appellante ontbonden met ingang van 1 november 2016. De kantonrechter was van oordeel dat appellante, door niet in voldoende mate mee te werken aan haar re-integratie, zodanig verwijtbaar had gehandeld dat van de werkgever niet kon worden gevergd dat hij de arbeidsovereenkomst met appellante liet voortduren.
Het Uwv heeft appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) geweigerd op de grond zij verwijtbaar werkloos was geworden. Tegen de weigering van de
WW-uitkering heeft appellante bezwaar gemaakt.
Appellante heeft zich op 27 december 2016 bij het college gemeld voor bijstand ingevolge de Participatiewet (PW).
Bij besluit van 7 februari 2017 heeft het college appellante met ingang van 27 december 2016 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande en de bijstand bij wijze van maatregel met ingang van 27 december 2016 voor de duur van een maand verlaagd met 100%. Tegen de opgelegde maatregel heeft appellante bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 28 juni 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en de opgelegde maatregel gehandhaafd. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante door eigen toedoen haar baan en haar recht op een WW-uitkering heeft verloren. Het college heeft zich gebaseerd op artikel 18, tweede lid van de PW en artikelen 8, vierde lid en 12, vierde lid, van de toepasselijke Afstemmingsverordening.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit over de opgelegde maatregel ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
Bij besluit op bezwaar van 2 maart 2020 heeft het Uwv het standpunt dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden verlaten en appellante alsnog met ingang van
1 november 2016 een WW-uitkering en een toeslag ingevolge de Toeslagenwet toegekend en betaald.
Bij besluit van 30 april 2020 heeft het college de kosten van bijstand over de periode van 27 december 2016 tot en met 30 april 2017 tot een bedrag van € 3.106,88 netto van appellante teruggevorderd op de grond dat zij over die periode een nabetaling van WW-uitkering en toeslag heeft ontvangen.
Het college heeft de Raad bij brief van 14 september 2020 laten weten dat hij het standpunt dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden heeft verlaten en dat geen grond bestaat voor verlaging van de bijstand van appellante bij wijze van maatregel. Het college heeft daarbij vermeld dat de bijstand over de periode van 27 december 2016 tot en
met 27 januari 2017 niet wordt nabetaald, omdat de bijstand over de periode van
27 december 2016 tot en met 30 april 2017 in verband met de nabetaling van de
WW-uitkering van appellante is teruggevorderd. De opgelegde maatregel heeft daardoor volgens het college feitelijk geen gevolgen voor appellante.
Appellante heeft het hoger beroep gehandhaafd. Zij heeft alleen aangevoerd dat het besluit van 7 februari 2017 onrechtmatig is en dat het college daarom ten onrechte de door haar gemaakte kosten van bezwaar niet heeft vergoed.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Appellante heeft het college tijdig verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten. Alleen al gelet op dat verzoek heeft appellante haar procesbelang bij het hoger beroep behouden.
Het college heeft het standpunt waarop het besluit van 7 februari 2017 over de maatregel was gebaseerd verlaten. Niet meer in geschil is dat er geen reden was voor verlaging van de bijstand van 27 december 2016 tot en met 27 januari 2017. Dit betekent dat het besluit van 7 februari 2017 over de verlaging van de bijstand onrechtmatig is.
Uit 4.2 volgt dat het bestreden besluit moet worden vernietigd en dat het hoger beroep slaagt. Ook de aangevallen uitspraak zal dus worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en het besluit van 7 februari 2017 herroepen voor zover het gaat over de verlaging van de bijstand.
Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het in bezwaar bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de door appellante in bezwaar gemaakte kosten niet hoeven worden vergoed, omdat de besluitvorming rechtmatig was totdat het Uwv het besluit van het van 2 maart 2020 had genomen. Dit standpunt is niet juist.
Het besluit van 7 februari 2017 over de verlaging van de bijstand is niet juist omdat appellante bij nader inzien niet verwijtbaar werkloos was geworden. Dat het college tot aan het besluit van het Uwv van 2 maart 2020 reden had om ervan uit te gaan dat appellante wel verwijtbaar werkloos was geworden, betekent niet dat haar werkloosheid inderdaad verwijtbaar was. Achteraf bezien berust het besluit van 7 februari 2017 over de maatregel op een onjuiste feitelijke grondslag en daarom is het onrechtmatig. Dit betekent ook dat de onrechtmatigheid van dat besluit aan het college is te wijten.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb voor het vergoeden van de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 17 februari 2017 tot verlaging van bijstand redelijkerwijs heeft moeten maken.
5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.068,- in bezwaar, op € 1.496,- in beroep en op € 748,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand in totaal € 3.312,-.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2021.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) M. Zwart