OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Verzoekster heeft naar voren gebracht dat de behandelend rechter vooringenomen is. Zij heeft dat afgeleid uit het optreden van de behandelend rechter ter zitting. Daarbij heeft zij gewezen op de discussie ter zitting over de mogelijkheden van het aanvullen van de beroepsgronden en de eenzijdige benadering bij de vraagstelling over het betalen van kosten uit de reserveringsruimte. Door deze niet neutrale en als onevenwichtig ervaren vraagstelling van de behandelend rechter is bij verzoekster de indruk ontstaan dat de beslissingsrichting van de uitspraak al was bepaald. Verzoekster heeft dit ook afgeleid uit het gegeven dat de behandelend rechter mogelijk van plan was om na de behandeling ter zitting mondeling uitspraak te doen.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter moet verder het uitgangspunt zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
Uit de gang van zaken bij de behandeling ter zitting op 23 maart 2021, zoals deze is weergegeven in het proces-verbaal van die zitting, kan geen zwaarwegende aanwijzing van vooringenomenheid van de behandelend rechter worden afgeleid. Het stellen van (kritische) vragen, in dit geval over de reserveringsruimte voor een bijstandsgerechtigde, en het bepalen van de omvang van het geding behoort tot de taak van de rechter. Hieruit noch uit het voorhouden aan procespartijen van de mogelijkheid van het doen van een mondelinge uitspraak, kan een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid.
Het vorenstaande betekent dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is gegeven door L.M. Tobé als voorzitter en J.P.A. Boersma en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2021.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) V.M. Candelaria