Ten aanzien van de herziening en terugvordering
Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald, rust op het Uwv de verplichting om niet alleen de feiten vast te stellen waarop het bestreden besluit steunt, maar ook – in geval van betwisting – die feiten aannemelijk te maken (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 22 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1295).
Niet in geschil is dat op 18 mei 2016 in de woning van appellant een hennepkwekerij is aangetroffen. Evenmin is in geschil dat appellant heeft nagelaten het Uwv te informeren over het feit dat zich in zijn woning een hennepkwekerij bevond.
Volgens vaste rechtspraak rechtvaardigt het feit dat in de woning van appellant een hennepkwekerij is aangetroffen de vooronderstelling dat appellant als bewoner van die woning (mede)exploitant is geweest en dat de opbrengst daarvan (ook) aan hem ten goede is gekomen. Het is vervolgens aan appellant om met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij de hennepkwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd en ook overigens geen inkomsten uit of in verband met deze kwekerij heeft ontvangen (vergelijk de uitspraak van de Raad van 11 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2139). Als appellant deze gegevens niet heeft verstrekt, is het Uwv volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 28 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:578) bevoegd om de inkomsten schattenderwijs vast te stellen. De gevolgen van het ontbreken van concrete, verifieerbare gegevens over het inkomen van appellant vallen geheel binnen zijn risicosfeer.
Uitgaande van de onder 4.2 vastgestelde feiten en de onder 4.3 gegeven maatstaf lag het op de weg van appellant om met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij niet heeft geëxploiteerd en ook overigens geen inkomsten uit of in verband met deze kwekerij heeft ontvangen. Appellant heeft echter volstaan met te verwijzen naar zijn bij de politie afgelegde, weinig concrete en niet gedetailleerde, verklaring dat de hennepkwekerij niet van hem was, maar van twee mannen aan wie hij geld schuldig was. Appellant heeft ook geen concrete en verifieerbare stukken overgelegd die zijn standpunt onderbouwen, zodat hij er niet in is geslaagd aan te tonen dat hij de hennepkwekerij niet (mede) heeft geëxploiteerd. De omstandigheid dat appellant bij strafbeschikking van 16 november 2017 een taakstraf is opgelegd wegens (enkel) medeplichtigheid aan opzettelijk bereiden en bewerken van hennep, gepleegd op 18 mei 2016 en diefstal van stroom, gepleegd in de periode van 20 april 2016 tot en met 18 mei 2016 en er geen ontnemingsvordering is ingesteld, leidt niet tot een andere conclusie reeds omdat de bestrafbeslissing niet is gemotiveerd en ook niet duidelijk is om welke reden een ontnemingsvordering is uitgebleven.
Met de bevindingen uit het rapport 24 juli 2017 heeft het Uwv, onder verwijzing naar de bevindingen van de politie, aannemelijk gemaakt dat er in ieder geval éénmaal in de hennepkwekerij van appellant is geoogst. Voor dit oordeel zijn met name van belang dat verdroogde resten van hennepplanten zijn aangetroffen in de kweekruimte en op de overloop van de eerste verdieping en er twee oude hennepplanten in potten stonden op de overloop en in de kweekruimte. Daarnaast was het filterdoek van de koolstoffilters vervuild, lag er stof op de kappen van de armaturen van de assimilatielampen, het stoffilter van de koolstofcilinder en het rotorblad van de ventilator en zijn er in de kweekruimte knipschaartjes aangetroffen met daarop hars/hennepresten.
Uit de bevindingen kan evenwel niet worden afgeleid dat sprake is geweest van twee eerdere oogsten. Het politierapport bevat daarvoor onvoldoende controleerbare gegevens. De enkele vervuiling van de koolstoffilters, de stof op genoemde voorwerpen en de hennepresten vormen op zich onvoldoende grond om aan te nemen dat er meer dan één oogst is geweest. Ook overigens zijn geen feiten naar voren gekomen die duiden op meer dan één oogst.
Uit 4.5 volgt dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellant voorafgaand aan de kweekperiode van de op 18 mei 2016 aangetroffen planten éénmaal heeft geoogst. Conform de standaardberekeningen van het BOOM duurt een gemiddelde kweekcyclus van een oogst tien weken, gebaseerd op een groei- en bloeitijd van gemiddeld negen weken en één week leegstand voor oogsten, opruimen en planten van nieuwe stekken. Hiermee rekening houdende en uitgaande van een kweekperiode van tien weken, alsmede van de door appellant genoemde voorbereidingsperiode van anderhalve week, zijn de werkzaamheden voor de hennepkwekerij op 8 februari 2016 gestart. Het Uwv heeft er dan ook vanuit mogen gaan dat appellant over de periode 8 februari 2016 tot en met 17 mei 2016 een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd. Appellant heeft zijn inlichtingenplicht geschonden nu hij genoemde activiteiten niet heeft gemeld aan het Uwv. De in die periode uit de hennepkwekerij genoten inkomsten mogen worden geschat, waarbij kan worden afgegaan op de berekeningen die zijn weergegeven in het politierapport van 3 augustus 2016. Het vorenstaande in aanmerking genomen, leidt een berekening aan de hand van de in het dossier opgenomen gegevens tot de conclusie dat het bedrag dat appellant in de periode 8 februari 2016 tot en met 17 mei 2016 teveel aan ZW- en WIA-uitkering heeft ontvangen totaal € 4.673,69 bedraagt. Daarbij is de factuur van Enexis volledig in aanmerking genomen. De herziening van de terugvordering zal daarom worden beperkt tot de genoemde periode en de terugvordering tot het bedrag van
€ 4.673,69 aan onverschuldigd betaalde uitkering. Uit wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is niet gebleken dat deze terugvordering tot onaanvaardbare consequenties voor appellant zal leiden.
Ten aanzien van de boete
5. Uit 4.4 en 4.7 volgt dat het Uwv in dit geval heeft aangetoond dat appellant over de periode 8 februari 2016 tot en met 17 mei 2016 de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door aan het Uwv geen melding te doen van de hennepkwekerij. Appellant kan daarvan een verwijt worden gemaakt, zodat het Uwv was gehouden over die periode een boete op te leggen. Uit 4.7 volgt dat het benadelingsbedrag € 4.673,69 bedraagt. Gelet op de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan, de mate van verwijtbaarheid, alsmede in aanmerking genomen dat appellant onder bewind staat, is een boete van € 250,- in dit geval passend en geboden.
Conclusie
6. Uit 4.1 tot en met 4.7 en 5 volgt dat onvoldoende grondslag bestaat voor de herziening van de ZW-uitkering over de periode 23 november 2015 tot en met 7 februari 2016, en dat zowel het bedrag van de terugvordering als het bedrag van de boete moeten worden verlaagd. Er is immers geen grond voor verlaging van de ZW-uitkering over die periode terwijl de schending van de inlichtingenverplichting niet eerder is aangevangen dan op 8 februari 2016. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
7. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd voor zover het ziet op de herziening, terugvordering van de ZWuitkering over de periode 23 november 2015 tot en met 7 februari 2016 en voor zover over die periode een boete is opgelegd. Het primaire herzieningsbesluit van de ZW-uitkering zal gedeeltelijk worden herroepen en de hoogte van het bedrag dat moet worden teruggevorderd zal worden vastgesteld op € 4.673,69. Het bedrag van de boete zal met toepassing van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht worden vastgesteld op € 250,-.
8. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.068,- in beroep en € 1.068,- in hoger beroep, in totaal € 2.136,-.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 januari 2018 gegrond en vernietigt dat besluit,
voor zover daarbij de ZW-uitkering over de periode 23 november 2015 tot en met 7 februari 2016 is herzien, en voor zover over die periode over terugvordering en het opleggen van een boete is beslist;
- stelt het door het Uwv van appellant terug te vorderen bedrag vast op € 4.673,69 en het bedrag van de boete op € 250,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de besluiten van 3 oktober 2017;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.136,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van
in totaal € 174,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en S. Wijna en G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2021.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) A.M.M. Chevalier