ECLI:NL:CRVB:2021:741

ECLI:NL:CRVB:2021:741, Centrale Raad van Beroep, 23-03-2021, 19/2539 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 23-03-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/2539 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 4 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0005537 BWBR0011708 BWBR0013060 BWBR0015703

Samenvatting

Boete, draagkracht, verhoogde beslagvrije voet leidt niet tot verlaging. Boete is al lager dan 5% van de norm maal de toepasselijke aflossingstermijn van 12 maanden. Toepassing van een beslagvrije voet van 95% leidt in de situatie van appellanten niet tot een lagere boete. De aan appellanten opgelegde boete van € 614,84 lager dan 5% van de bijstandsnorm voor gehuwden maal de toepasselijke aflossingstermijn van twaalf maanden. Er is ook geen aanleiding de boete op grond van de overige financiële omstandigheden van appellanten verder te matigen. Of de ruimte in het inkomen boven de beslagvrije voet op andere wijze is beperkt of ingenomen, is hierbij niet van betekenis.

Uitspraak

19. 2539 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 augustus 2018, ROT 18/1653 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 23 maart 2021

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.E. Stout, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben schriftelijk gereageerd op de door de Raad aan hen gestelde vragen.

Partijen hebben toestemming gegeven om een onderzoek ter zitting achterwege te laten. De Raad heeft daarom bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten hebben over de periode van 25 april 2013 tot 1 mei 2017, in aanvulling op inkomsten uit arbeid, bijstand ontvangen naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Participatiewet.

Uit een op 2 mei 2017 door appellant overgelegde arbeidsovereenkomst is gebleken dat appellant op 3 februari 2017 op basis van een zogeheten nul-urencontract als beveiliger aan het werk is gegaan.

Bij besluit van 17 januari 2018 heeft het college appellanten een boete opgelegd van € 614,84. Het college heeft bij besluit van 7 februari 2018 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 17 januari 2018 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet tijdig de hoogte van de inkomsten uit een WW-uitkering in de periode vanaf januari 2017 tot en met april 2017 door te geven en door geen melding te maken van in maart en april 2017 ontvangen inkomsten uit arbeid. Het college is uitgegaan van normale verwijtbaarheid en heeft bij de vaststelling van de hoogte van de boete in aanmerking genomen dat appellanten al eerder, namelijk bij besluiten van 8 augustus 2016 en 2 januari 2017 een boete is opgelegd vanwege het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. De hoogte van de boete is op grond hiervan vastgesteld op een bedrag van 50% x 150% van het netto benadelingsbedrag van € 819,78.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Appellanten hebben aangevoerd dat zij de boete niet binnen een termijn van twaalf dan wel achttien maanden kunnen voldoen, gelet op hun beperkte draagkracht. In dat kader hebben zij onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 4 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1525, betoogd dat het college aanleiding had moeten zien bij de vaststelling van de hoogte van de boete te anticiperen op een beslagvrije voet van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm.

Met het college ziet de Raad niet in dat toepassing van een beslagvrije voet van 95% in de situatie van appellanten kan leiden tot een lagere boete. Zoals het college terecht heeft opgemerkt ˗ en niet in geschil is ˗ is de aan appellanten opgelegde boete van € 614,84 lager dan 5% van de bijstandsnorm voor gehuwden maal de toepasselijke aflossingstermijn van twaalf maanden. De hoogte van de toe te passen beslagvrije voet vormt daarom geen aanleiding de boete verder te matigen.

Anders dan appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad ook geen aanleiding de boete op grond van de overige financiële omstandigheden van appellanten verder te matigen. Bij de vaststelling of appellanten de boete binnen de in 4.1 genoemde periode van twaalf maanden kunnen aflossen, wordt het volledige bedrag van het inkomen boven de beslagvrije voet aangewend voor het betalen van de boete. Of de ruimte in het inkomen boven de beslagvrije voet op andere wijze is beperkt of ingenomen, is hierbij niet van betekenis. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1816. Appellanten hebben geen gegevens verstrekt waaruit is af te leiden dat zij de boete, uitgaande van de hiervoor uiteengezette fictieve draagkracht, niet binnen een termijn van achttien maanden kunnen betalen. Het college was daarom niet gehouden de boete verder te matigen in verband met de draagkracht van appellanten.

De Raad acht de opgelegde boete van € 614,84 evenredig waaruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2021.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) J.A. Achterberg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JWWB 2021/128
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?