18. 6331 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
6 november 2018, 17/7159 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] en [appellante] te [woonplaats] (appellanten)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 22 maart 2021
Zitting heeft: mr. J.N.A. Bootsma
Griffier: A.A.H. Ibrahim
Namens appellanten zijn hun advocaat mr. A. Dinc en hun zoon [naam zoon] verschenen. De Svb heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Dit betekent dat de terugvordering van € 49.669,35 over de periode van 1 juli 2000 tot en met 1 november 2016 juist is.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellanten ontvingen in aanvulling op hun AOW uitkering vanaf 1 juli 2000 eerst aanvullende bijstand en later een AIO-uitkering. De intrekking daarvan vanaf 1 juli 2000, omdat appellanten niet hadden gemeld dat appellant al vanaf 1975 eigenaar is van een stuk grond en een woning in Marokko, is tussen partijen niet in geschil.
Op 6 mei 2013 en op 4 maart 2015 hebben appellanten op een formulier van de Svb vragen over woningbezit buiten Nederland beantwoord met “ja”. De Svb is in november 2016 een nader onderzoek gestart en heeft de AIO-uitkering vanaf die datum geblokkeerd. Appellanten hebben de vragen van de Svb over het precieze adres en de waarde van de woning niet beantwoord. Daardoor was hun recht op aanvullende bijstand en AIO-uitkering niet vast te stellen.
Met een beroep op de zes-maanden-jurisprudentie menen appellanten dat de Svb vanaf zes maanden na het eerste signaal op 6 mei 2013, dus vanaf november 2013, niet meer bevoegd was tot terugvordering, zodat de terugvordering met € 5.260,- moet worden verlaagd.
Dit beroep slaagt niet. De zes-maanden-jurisprudentie geldt namelijk alleen als bestuursorganen een bevoegdheid hebben tot terugvordering en niet als zij verplicht zijn tot terugvordering, zoals in de Participatiewet.
Appellanten hebben nog gesteld dat zij door de terugvordering in zeer bijzondere omstandigheden zijn komen te verkeren, maar zij hebben niet omschreven wat deze omstandigheden zijn. Zij hebben dan ook niet aannemelijk gemaakt dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien.
Het hoger beroep slaagt niet.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd te ondertekenen. (getekend) mr. J.N.A. Bootsma