ECLI:NL:CRVB:2021:997

ECLI:NL:CRVB:2021:997, Centrale Raad van Beroep, 28-04-2021, 19/1603 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 28-04-2021
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/1603 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 4 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0013060 BWBR0015703 BWBR0039399

Samenvatting

Buitenbehandelingstelling aanvraag. Geen onderzoek gedaan naar gesteld verzoek om uitstel voor inleveren stukken. Onzorgvuldige voorbereiding. Appellante heeft aangevoerd dat zij nog vóór het verstrijken van de hersteltermijn, een gesprek heeft gehad met de werkconsulent en dat zij tijdens dat gesprek heeft verzocht om uitstel, omdat zij nog niet over alle gevraagde gegevens beschikte. Het college heeft geen navraag gedaan bij de bij het gesprekaanwezige werkconsulent. Dat had, gelet op het door appellante geschetste verloop van de gebeurtenissen, de door appellante in het bezwaarschrift gebruikte bewoordingen over wat de werkconsulent haar heeft verteld en de korte tijd die nog maar was verstreken tussen het gesprek en het indienen van het bezwaarschrift, wel op de weg van het college gelegen. Door dit na te laten heeft het college het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.

Uitspraak

19 1603 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 28 april 2021

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 maart 2019, 18/5132 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Shaaban, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via videobellen plaatsgevonden op 16 maart 2021. Daarbij heeft appellante zich laten vertegenwoordigen door mr. Shaaban en het college door mr. J.F. Jim.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Op 21 maart 2018 heeft appellante een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet ingediend.

Bij brief van 28 maart 2018 heeft het college appellante verzocht uiterlijk 4 april 2018 voor de behandeling van de aanvraag nodige informatie te verstrekken. Het ging hierbij onder meer om een detentieverklaring van de partner van appellante en om de loonoverzichten van haar partner van 1 oktober 2017 tot en met 28 maart 2018.

Bij brief van 5 april 2018 heeft het college appellante nogmaals de gelegenheid geboden de gevraagde gegevens te verstrekken, en wel uiterlijk 19 april 2018. Het college heeft appellante er daarbij op gewezen dat, indien zij niet op tijd reageert, de aanvraag niet in behandeling kan worden genomen. Appellante heeft in reactie hierop enkele gegevens verstrekt, maar niet de in 1.2 genoemde detentieverklaring en loonoverzichten van haar partner.

Bij besluit van 26 april 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 augustus 2018 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante binnen de daarvoor gestelde termijn niet alle gevraagde gegevens heeft verstrekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Niet in geschil is dat appellante niet alle gevraagde gegevens heeft ingeleverd. Anders dan appellante meent waren de detentieverklaring van haar partner en de loonoverzichten van haar partner van 1 oktober 2017 tot en met 28 maart 2018 van essentieel belang voor de beoordeling van haar financiële situatie. Dat het college via Suwinet kon beschikken over gegevens over inkomsten uit arbeid van de partner van appellante doet hieraan niet af. Uit de Regeling uitzondering inlichtingenplicht vloeit niet voort dat de inlichtingenverplichting ten aanzien van deze gegevens niet geldt.

Appellante heeft aangevoerd, daarbij verwijzend naar haar bezwaarschrift van 8 mei 2018, dat zij op 16 april 2018, dus nog vóór het verstrijken van de hersteltermijn, een gesprek heeft gehad met de werkconsulent en dat zij tijdens dat gesprek heeft verzocht om uitstel, omdat zij nog niet over alle gevraagde gegevens beschikte. Ten onrechte is het college hier zonder nader onderzoek aan voorbij gegaan. Deze beroepsgrond slaagt. Daartoe is het volgende redengevend.

Niet in geschil is dat appellante op 16 april 2018 bij de werkconsulent op gesprek is geweest en dat daarbij in elk geval is gesproken over een zogeheten inspanningstoets. Appellante heeft in haar bezwaarschrift van 8 mei 2018 aangevoerd, voor zover van belang:

“De datum van inlevering werd op 19 april gesteld. Het merendeel had ik in mijn bezit en heb ik op 9 april en 15 april jl. ingeleverd. Echter beschikte ik nog niet over de loonstroken en de detentieverklaring van mijn echtgenoot. Ik had inmiddels een afspraak staan voor 16 april en dacht dat ik e.e.a. daar kon doorgeven. Dit heb ik op 16 april getracht te doen, echter werd er aangegeven dat de ‘andere’ afdeling contact met mij zou zoeken (dit werd door de werkconsulent verteld). Op dat moment was ik mij er niet van bewust dat W&I uit twee afdelingen bestond. Dezelfde dag werd het voorschot gestort, waardoor ik op het verkeerde ben werd gezet. Ik nam aan dat e.e.a. goed liep, en dat er inderdaad nog contact met mij zou worden opgenomen.”

Het college heeft, zo blijkt uit de toelichting ter zitting, naar aanleiding van de hiervoor bedoelde vermelding in het bezwaarschrift geen navraag gedaan bij de bij het gesprek op

16 april 2018 aanwezige werkconsulent. Dat had, gelet op het door appellante geschetste verloop van de gebeurtenissen, de door appellante in het bezwaarschrift gebruikte bewoordingen over wat de werkconsulent haar heeft verteld en de korte tijd die nog maar was verstreken tussen het gesprek en het indienen van het bezwaarschrift, wel op de weg van het college gelegen. Door dit na te laten heeft het college het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Dit besluit dient daarom te worden vernietigd. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. Gelet hierop behoeven de overige gronden geen bespreking.

Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien, omdat het college de in 1.1 genoemde aanvraag nog niet heeft beoordeeld. Voor toepassing van de zogenoemde bestuurlijke lus is geen aanleiding. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van wat in 4.2 tot en met 4.5 is overwogen.

Aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Wat in 4.5 is overwogen geeft aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.068,- in beroep (één punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het bestreden besluit en één punt voor het verschijnen ter zitting in verband met de behandeling van dat beroepschrift) en € 1.068,- in hoger beroep (één punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting), in totaal dus

€ 2.136,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2021.

(getekend) J.L. Boxum

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JWWB 2021/147
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?