21. 2123 AOW
Datum uitspraak: 22 april 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 mei 2021, 19/2077 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft – deels digitaal – plaatsgevonden op 11 maart 2022. Appellante is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans, die via videobellen heeft deelgenomen. Het geding is gevoegd behandeld met de zaak 21/2124 AOW. Na de behandeling zijn de gedingen weer gesplitst en zal afzonderlijk uitspraak worden gedaan.
OVERWEGINGEN
1. Aan appellante is in 2017 een ouderdomspensioen toegekend op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), naar de norm van een ongehuwde. Met een besluit van 24 mei 2019 heeft de Svb aan appellante gemeld dat er door GGN Mastering Credit (GGN) beslag is gelegd op haar ouderdomspensioen en dat aan haar vanaf juni 2019 daarom een lager bedrag aan ouderdomspensioen zal worden overgemaakt. Het bezwaar hiertegen is, met een beslissing van 17 juli 2019 (bestreden besluit), ongegrond verklaard. Ter zitting heeft de Svb uiteengezet dat GGN op 10 maart 2020 heeft laten weten dat de beslaglegging beëindigd is. Vanaf die maand is weer het volledige ouderdomspensioen aan appellante uitbetaald.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank betoogt appellante in essentie dat het beslag op zichzelf onjuist is. Hiertegen dient zij zich echter te beklagen bij de burgerlijke rechter, niet bij de bestuursrechter. Nu tegen de wijze waarop het beslag door de Svb is uitgevoerd door appellante niets is aangevoerd, is er geen reden het bestreden besluit voor onjuist te houden.
3. In hoger beroep heeft appellante in essentie haar stellingen herhaald.
De Raad ziet geen aanleiding de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden. Uit vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 30 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2687) volgt dat bezwaren over een beslag kunnen worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter en dat het niet op de weg van de Svb, als derdenbeslagene, ligt om de geldigheid van het beslag te beoordelen. De bestuursrechter mag daarover ook niet oordelen. Bij de beoordeling van een betalingsbeslissing als in dit geding aan de orde, moet het gelegde beslag als een gegeven worden aanvaard. De bestuursrechter dient zijn toetsing te beperken tot het beantwoorden van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van deze betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag.
De Svb heeft een juiste toepassing gegeven aan de in overweging 4.1 genoemde rechtspraak. De beroepsgrond dat het op het ouderdomspensioen van appellante gelegde derdenbeslag onrechtmatig is gelegd kan niet slagen, omdat de rechtmatigheid van het beslag niet in deze procedure ter beoordeling staat. Appellante heeft op zich niets aangevoerd tegen de wijze van beslaglegging, alleen tegen de beslaglegging zelf.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak bevestigd zal worden. Indien appellante zich had willen verzetten tegen de beslaglegging zelf, had zij een geding moeten beginnen bij de burgerlijke rechter.
Er bestaat geen aanleiding de Svb te veroordelen tot vergoeding van proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2022.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) M.E. van Donk