21. 258 PW-PV
Datum uitspraak: 10 mei 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2020, 20/3821 (aangevallen uitspraak) en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (college)
Zitting heeft: K.M.P. Jacobs
Griffier: B. Beerens
Ter zitting is appellant verschenen, bijgestaan door mr. J. Berkouwer, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.M.A. Desain.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
In geding is de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) voor de kosten van het inhuren van een fiscaal adviseur voor het doen van de door de Amerikaanse autoriteiten opgelegde plicht tot belastingaangifte in de Verenigde Staten van Amerika (VS).
In artikel 11, eerste lid, van de PW is bepaald dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.
Uit vaste rechtspraak (uitspraak van 2 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ5967 en van 10 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:363) volgt dat het aan de PW ten grondslag liggende territorialiteitsbeginsel de mogelijkheid tot bijstandsverlening uitsluit ten aanzien van kosten die buiten Nederland zijn opgekomen of die betrekking hebben op kosten die niet aan Nederland zijn verbonden. Dit brengt mee dat voor bijstandsverlening in de door appellant gevraagde kosten van belastingaangifte in de VS geen plaats is, aangezien deze kosten niet aan Nederland zijn verbonden. Dat appellant – naast de Amerikaanse nationaliteit – ook de Nederlandse nationaliteit heeft en dat hij in de hoedanigheid van Amerikaans staatsburger hier te lande verplicht is tot het doen van belastingaangifte in de VS, noopt niet tot een ander oordeel. Zoals eerder overwogen (uitspraak van 25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3137) gaat het hier immers niet om de vraag of de betrokkene zelf aan Nederland is verbonden, maar is slechts bepalend of de door hem gemaakte kosten, waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, aan Nederland zijn verbonden. Ook het beroep op het vonnis in kort geding van 23 december 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:5647, kan appellant niet baten, reeds omdat dat vonnis betrekking heeft op een civielrechtelijk geschil en niet kan afdoen aan het evenvermelde aan de PW ten grondslag liggende territorialiteitsbeginsel dat strekt tot uitsluiting van bijstand. Het college heeft de aanvraag terecht afgewezen.
Het hoger beroep slaagt dus niet. Dit brengt mee dat voor een veroordeling tot vergoeding van schade geen grond aanwezig is.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat evenmin aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) B. Beerens (getekend) K.M.P. Jacobs