21. 3356 AKW
Datum uitspraak: 12 mei 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 augustus 2021, 20/1086 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2022. Namens appellant is mr. Willering verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. ZuidersmaHovers.
OVERWEGINGEN
Feiten
Appellant heeft op 16 mei 2019 kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) aangevraagd voor zijn zoon [naam zoon], geboren op [geboortedatum] 2002. Daarbij heeft appellant verzocht de kinderbijslag met terugwerkende kracht toe te kennen vanaf 1 juli 2017. [naam zoon] verbleef vanaf 19 oktober 2016 in een instelling in België. Vanaf 28 juni 2019 woont [naam zoon] bij appellant in Nederland. De Svb is naar aanleiding van de aanvraag een onderzoek gestart naar het recht op kinderbijslag.
Besluitvorming Svb
Bij besluit van 20 augustus 2019 heeft de Svb appellant – voor zover van belang –meegedeeld dat hij over het tweede kwartaal van 2018 tot en met het eerste (lees: tweede) kwartaal van 2019 geen recht heeft op kinderbijslag ten behoeve van [naam zoon], omdat hij niet in belangrijke mate heeft bijgedragen in zijn onderhoud. Bij het bestreden besluit van 30 december 2019 is het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Procedure bij de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat appellant niet op eenvoudig te controleren wijze aannemelijk heeft gemaakt dat hij over het tweede kwartaal van 2018 tot en met het tweede kwartaal van 2019 in belangrijke mate heeft bijgedragen in het onderhoud van [naam zoon]. Uit de door appellant overgelegde facturen kan niet worden afgeleid dat de betreffende uitgaven door appellant zijn gedaan voor het onderhoud van zijn zoon. Verder is in aanmerking genomen dat appellant op het vragenformulier van de Svb heeft vermeld welke bedragen hij heeft betaald voor het onderhoud van [naam zoon]. Appellant heeft echter geen enkel bankafschrift of ander objectief en verifieerbaar bewijsstuk overgelegd om zijn onderhoudsbijdragen te onderbouwen. De verklaring van de medewerkster van de instelling waar [naam zoon] verbleef is niet voldoende om de betaling van de onderhoudsbijdrage aan te nemen. Die verklaring is te algemeen en valt niet te herleiden tot concrete bedragen. Dit betekent dat de Svb terecht de kinderbijslag over de in geding zijnde periode heeft afgewezen.
Standpunt in hoger beroep
3. Appellant heeft zijn standpunt herhaald dat hij heeft voldaan aan de vereiste onderhoudsbijdrage. Hij heeft daarvoor met name gewezen op de door hem ingezonden facturen van een PlayStation en een laptop.
Oordeel van de Raad
Ter zitting is gebleken dat het hoger beroep is beperkt tot de vraag of appellant over het tweede kwartaal van 2018 recht heeft op kinderbijslag voor [naam zoon].
Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de AKW heeft een verzekerde recht op kinderbijslag voor een kind dat jonger is dan achttien jaar en dat door hem wordt onderhouden. In artikel 5, eerste lid, in samenhang met artikel 7, eerste lid, van het Besluit uitvoering kinderbijslag zijn nadere regels gesteld over de hoogte van de onderhoudsbijdrage.
Het gaat hier om een beoordeling van de aanspraak op kinderbijslag over een kwartaal waarvoor nog geen toekenning heeft plaatsgevonden. In zo’n geval rust de bewijslast dat is voldaan aan de voorwaarden voor kinderbijslag, primair op de verzekerde.
[naam zoon] behoorde in het tweede kwartaal van 2018 niet tot het huishouden van appellant. Appellant kan daarom voor [naam zoon] alleen aanspraak maken op kinderbijslag als hij aannemelijk kan maken dat hij hem in belangrijke mate heeft onderhouden. Voor het tweede kwartaal van 2018 geldt een onderhoudsbijdrage van € 422,- per kwartaal. Volgens vaste rechtspraak moet appellant op een voor de Svb eenvoudig te controleren wijze aantonen of aannemelijk maken dat hij deze onderhoudsbijdrage heeft geleverd.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant niet aan deze vereisten heeft voldaan en onderschrijft wat de rechtbank hierover heeft overwogen. Appellant heeft geen bankoverschrijvingen aan [naam zoon] of aan de instelling in België over het hier in geding zijnde kwartaal overgelegd. Wel heeft appellant ter onderbouwing van zijn stelling dat hij aan de onderhoudsbijdrage heeft voldaan facturen ingezonden van de aankoop van een PlayStation en een laptop. Uit deze facturen kan echter niet worden afgeleid dat deze uitgaven zijn gedaan ten behoeve van het onderhoud van [naam zoon]. Verder heeft appellant gesteld dat hij contant geld heeft uitgegeven aan kleding en uitstapjes voor zijn zoon. Deze door appellant gestelde betalingen voldoen volgens vaste rechtspraak niet aan de geformuleerde eis van eenvoudige controleerbaarheid. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat [naam zoon] 30 dagen per jaar bij hem heeft verbleven. Het is voor de Svb niet mogelijk gebleken om te controleren over welke periode [naam zoon] bij appellant heeft verbleven. Ook al zou de Raad uitgaan van een verblijf van [naam zoon] bij zijn vader van gemiddeld zeven-en-een-halve dag per kwartaal, dan zou appellant met de fictieve onderhoudsbijdrage van € 10,- per dag niet kunnen voldoen aan de vereiste onderhoudsbijdrage van € 422,- per kwartaal. Dit betekent dat appellant over het tweede kwartaal van 2018 niet heeft voldaan aan de voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op kinderbijslag en dat de Svb terecht kinderbijslag over dit kwartaal heeft geweigerd.
Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2022.
(getekend) M. Wolfrat
(getekend) L.C. van Bentum