ECLI:NL:CRVB:2022:138

ECLI:NL:CRVB:2022:138, Centrale Raad van Beroep, 19-01-2022, 19/4255 WMO15

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 19-01-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/4255 WMO15
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 2 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0035362 BWBR0035917

Samenvatting

De beroepsgrond dat het college onzorgvuldig onderzoek heeft verricht en het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, slaagt. De Raad is van oordeel dat het college het onderzoek niet heeft verricht zoals hiervoor is omschreven. De vertegenwoordigers van het college hebben dit ter zitting ook erkend. Het college zal daarom de opdracht worden gegeven opnieuw onderzoek te verrichten overeenkomstig wat in 4.1.1 is overwogen. Daarbij geldt dat het college, indien nodig, deskundig (medisch) advies zal moeten inwinnen. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant.

Uitspraak

19 4255 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 19 januari 2022

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 september 2019, 18/2345 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hardenberg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Oldenhof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2021. Namens appellant is mr. Oldenhof verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door G.K. Kregmeier en D. Jonker.

OVERWEGINGEN

1. Het college heeft bij besluit van 19 juni 2018, gehandhaafd bij besluit van 30 oktober 2018 (bestreden besluit), appellant op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor de periode van 23 mei 2018 tot 22 november 2018 een maatwerkvoorziening professionele begeleiding verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Volgens het college kan [naam] ( [naam organisatie] ) de verstrekte professionele begeleiding niet bieden.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, voor zover van belang, overwogen dat uit de stukken blijkt dat appellant is aangewezen op professionele begeleiding en dat [naam] dit niet kan bieden.

3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Appellant heeft zich, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat het college onzorgvuldig onderzoek heeft verricht en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij is aangewezen op professionele begeleiding. Verder heeft appellant betoogd dat aan het pgb een voorwaarde is verbonden die niet in overeenstemming is met zijn keuzevrijheid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De beroepsgrond dat het college onzorgvuldig onderzoek heeft verricht en het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, slaagt.

Zoals eerder overwogen in de uitspraak van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819, vloeit uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015 voort dat het college voldoende kennis moet vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving. Vervolgens moet het onderzoek er op gericht zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken.

De Raad is van oordeel dat het college het onderzoek niet heeft verricht zoals hiervoor is omschreven. De vertegenwoordigers van het college hebben dit ter zitting ook erkend. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en berust niet op een deugdelijke motivering, zodat dit besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend en reeds dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. De overige beroepsgrond hoeft daarom geen bespreking meer. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Nu onvoldoende gegevens voorhanden zijn, kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand worden gelaten en zijn er geen mogelijkheden om zelf in de zaak te voorzien. Het college zal daarom de opdracht worden gegeven opnieuw onderzoek te verrichten overeenkomstig wat in 4.1.1 is overwogen. Daarbij geldt dat het college, indien nodig, deskundig (medisch) advies zal moeten inwinnen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.518,- in beroep en op € 1.518,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van beroep

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en J.P.A. Boersma en A.T. Marseille als leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2022.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) M.E. van Donk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?