OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante ontving bijstand ingevolge de Participatiewet.
Bij besluit van 6 november 2019 heeft het college de bijstand met ingang van 1 november 2019 opgeschort.
Bij besluit van 25 november 2019 (besluit 1) heeft het college het recht op bijstand van appellante met ingang van 8 september 2019 ingetrokken op de grond dat appellante langer dan het maximum aantal toegestane dagen in het buitenland heeft verbleven en nog steeds in het buitenland verblijft. Bij besluit van eveneens 25 november 2019 (besluit 2) heeft het college de verstrekte bijstand van appellante over de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 oktober 2019 teruggevorderd tot een bedrag van € 810,84. Bij besluit van 27 november 2019 (besluit 3) heeft het college de verstrekte bijstand van appellante over de periode van 8 september 2019 tot en met 30 september 2019 teruggevorderd tot een bedrag van € 752,21.
Bij e-mail van 25 december 2019 heeft de gemachtigde van appellante pro-forma bezwaar gemaakt tegen de besluiten 1 tot en met 3. Het pro-forma bezwaarschrift bevat geen gronden en is niet ondertekend.
Bij aangetekende post verzonden drie brieven van 2 januari 2020 heeft het college appellante in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 30 januari 2020 de geconstateerde verzuimen te herstellen. Daarbij is vermeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet binnen de gestelde termijn de verzuimen worden hersteld.
Bij besluiten van 25 februari 2020 en 26 februari 2020 (bestreden besluiten 1 tot en met 3) heeft het college het bezwaar van appellante tegen de onder 1.3 vermelde besluiten niet-ontvankelijk verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het college de herstelverzuimbrieven niet via PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de gemachtigde heeft aangeboden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 6:5 van de Awb moet een bezwaarschrift zijn ondertekend en onder meer de gronden van het bezwaar vermelden. Artikel 6:6 van de Awb bepaalt dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet is voldaan aan, voor zover hier van belang, de vereisten van artikel 6:5, op voorwaarde dat de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn. Tussen partijen is in geschil of het college appellante de gelegenheid heeft geboden dat verzuim te herstellen.
Met de rechtbank moet worden vastgesteld dat bij het indienen per e-mail van het bezwaarschrift op 25 december 2019 de bezwaargronden hebben ontbroken en dat het bezwaarschrift niet is ondertekend.
Volgens vaste rechtspraak moet, als de verzender een document dat rechtens van belang is per aangetekende post heeft verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Vergelijk de uitspraak van 7 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8499.
Het college heeft de herstelverzuimbrieven van 2 januari 2020 per aangetekende verzending aangeboden aan PostNL. In het elektronisch volgsysteem is vermeld dat PostNL de herstelverzuimbrieven op 3 januari 2020 op twee verschillende tijdstippen heeft aangeboden op het adres [adres] in [plaats 1] en dat na de laatste aanbieding afhaalberichten zijn achtergelaten. Appellante heeft niets aangevoerd dat aanleiding geeft om aan de juistheid van deze informatie te twijfelen.
De grond dat het college de herstelverzuimbrieven niet op regelmatige wijze aan het adres van de gemachtigde heeft aangeboden, omdat de gemachtigde van appellante met zijn kantoor was verhuisd van het adres [adres] in [plaats 1] naar [adres 2] in [plaats 1] , slaagt niet. Het college heeft de herstelverzuimbrieven gezonden naar het adres van de gemachtigde zoals vermeld stond in het pro-forma bezwaarschrift van de gemachtigde van appellante. Nadien heeft de gemachtigde van appelante niet bij het college kenbaar gemaakt dat hij met zijn kantoor is verhuisd. Dat onderaan de e-mail correspondentie van 7 januari 2020 en 12 februari 2020 van de gemachtigde van appellante [adres 2] is vermeld maakt het voorgaande niet anders, in die zin dat het college alsnog verzuimherstelbrieven ook naar het adres [adres 2] in [plaats 1] had moeten sturen.
Het vorenstaande betekent dat het college appellante de gelegenheid heeft geboden het verzuim te herstellen. Het college was bevoegd het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren nadat het gelegenheid had geboden het gebrek te herstellen. Het moet voor risico van appellante worden gelaten dat zij geen gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid. Uit wat appellante heeft aangevoerd volgt daarom niet dat het college niet in redelijkheid van de bevoegdheid tot niet-ontvankelijkverklaring gebruik heeft kunnen maken.
Uit 4.3 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van B. van Dijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2022.
(getekend) A.J. Schaap
(getekend) B. van Dijk