ECLI:NL:CRVB:2022:148

ECLI:NL:CRVB:2022:148, Centrale Raad van Beroep, 20-01-2022, 20/3578 AKW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 20-01-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/3578 AKW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002368

Samenvatting

Weigeren kinderbijslag over het tweede tot en met het vierde kwartaal van 2018. Appellante had op de peildata van het tweede tot en met het vierde kwartaal van 2018 (nog) geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Appellante was dus op de peildata van het tweede tot en met het vierde kwartaal van 2018 niet verzekerd voor de AKW.

Uitspraak

20. 3578 AKW

Datum uitspraak: 20 januari 2022

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 18 september 2020, 19/1400 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. ir. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft appellante schriftelijk vragen gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2021. Appellante is, hoewel opgeroepen in persoon, niet verschenen. Zij heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. van Baaren, als waarnemer van mr. Maduro. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz en door J.Y. van den Berg, die via beeldbellen aan de zitting heeft deelgenomen.

OVERWEGINGEN

Appellante heeft de Nederlandse nationaliteit en heeft van 1988 tot en met 1991 en van 1998 tot in 2000 in Nederland gewoond. In 2000 is zij uit Nederland vertrokken naar Curaçao, waar zij tot medio 2017 heeft gewoond. Vanaf medio 2017 heeft appellante met haar partner en drie kinderen bij een kennis in België verbleven. Begin 2018 is zij met haar gezin naar Nederland gekomen. Vanaf 4 januari 2018 ontvangt appellante een uitkering op grond van de Participatiewet en vanaf 8 januari 2018 gaan de kinderen naar school. In de periode van 2 februari 2018 tot en met 5 december 2018 stond appellante ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) op een briefadres van de daklozenopvang [plaats]. Appellante en haar gezin verbleven in de daklozenopvang in [plaats] tot zij een huurwoning kregen op 6 december 2018.

In het besluit van 4 januari 2019 heeft de Svb aan appellante kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) toegekend vanaf het eerste kwartaal van 2019 en haar aanvraag afgewezen over het tweede kwartaal van 2018 tot en met het vierde kwartaal van 2018.

In het besluit van 8 april 2019 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 4 januari 2019 ongegrond verklaard. Volgens de Svb was er voor 6 december 2018 nog geen sprake van ingezetenschap. Appellante had voor die datum nog geen eigen woning en verbleef korter dan één jaar in Nederland.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de duurzame band van persoonlijke aard van appellante met Nederland in ieder geval na het jaar 2000 is verbroken door haar vertrek naar Curaçao. Deze band werd niet direct hersteld toen zij zich begin 2018 in Nederland vestigde. Daarbij acht de rechtbank van belang dat appellante voor lange tijd buiten Nederland heeft gewoond, op de peildatum van het tweede kwartaal van 2018 nog maar relatief kort in Nederland verbleef, dat zij niet beschikte over een zelfstandige woning en ook niet in haar eigen levensonderhoud voorzag. Zij had daarom nog geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat er voldoende aanknopingspunten zijn voor een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellante en Nederland sinds begin 2018.

De Svb heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Juridisch kader

Tussen partijen is in geschil of appellante aanspraak heeft op kinderbijslag over het tweede tot en met het vierde kwartaal van 2018. Daarbij ligt de vraag voor of appellante op de peildata van die kwartalen ingezetene van Nederland was.

De Raad overweegt allereerst over het te hanteren beoordelingskader het volgende. Over het korte verblijf van appellante bij kennissen in België, voordat zij naar Nederland is gekomen, is veel onduidelijk gebleven. De Raad heeft appellante daarover schriftelijk vragen gesteld en haar opgeroepen ter zitting te verschijnen. Aan beide verzoeken is door appellante geen gehoor gegeven. Hierdoor heeft de Raad onvoldoende gegevens om te kunnen beoordelen of sprake is van een grensoverschrijdende situatie waarop Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009 van toepassing zijn. Zoals ter zitting met partijen is besproken zal de Raad de nationale wetgeving toepassen en het recht van appellante op kinderbijslag beoordelen aan de hand van het begrip “ingezetenschap” in de zin van de AKW.

In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van die wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont, wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld.

Volgens vaste rechtspraak komt het er bij de beoordeling van de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Verwezen wordt naar de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1466 en 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6285 en de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908.

De Raad heeft in zijn uitspraak van onder meer 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:877, geoordeeld dat voor het aannemen van ingezetenschap onvoldoende is dat de betrokkene de intentie heeft zich definitief in Nederland te vestigen. Voorts heeft de Raad in onder meer de uitspraak van 20 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2182, geoordeeld dat het beschikken over duurzaam ter beschikking staande woonruimte één van de omstandigheden is die van belang zijn bij de weging of sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen de betrokkene en Nederland. Ook de duur van het verblijf in Nederland is een omstandigheid die van belang is bij die beoordeling.

Duurzame band van persoonlijke aard met Nederland

Niet in geschil is dat appellante, toen zij Nederland medio 2000 verliet, ingezetene van Nederland was. Na haar vertrek uit Nederland in 2000 zijn de eerder ontstane banden van persoonlijke aard van appellante met Nederland op enig moment verbroken. Toen appellante begin 2018 naar Nederland terugkeerde, herleefde haar ingezetenschap niet onmiddellijk. Appellante kon na haar terugkeer pas als ingezetene van Nederland worden beschouwd op het moment dat zij weer een persoonlijke band van duurzame aard met Nederland had opgebouwd.

Appellante heeft gesteld dat zij bij terugkeer direct de intentie had zich definitief weer in Nederland te vestigen, maar deze intentie werd op dat moment niet door objectieve factoren ondersteund. In dit verband is van belang dat appellante met haar gezin in de daklozenopvang verbleef en dus geen woonruimte had die duurzaam tot haar beschikking stond. Verder had appellante geen werk en ook geen wezenlijke en objectiveerbare bindingen met familie of particuliere organisaties in Nederland, en verbleef zij nog relatief kort in Nederland. Om deze redenen had zij op de peildata van het tweede tot en met het vierde kwartaal van 2018 (nog) geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Appellante was dus op de peildata van het tweede tot en met het vierde kwartaal van 2018 niet verzekerd voor de AKW. Dat zij vanaf 4 januari 2018 een bijstandsuitkering ontving, de kinderen vanaf 8 januari 2018 naar school gingen, dat zij een zorgverzekeringspolis had en dat zij in februari 2018 was ingeschreven in de brp, leidt niet tot een ander oordeel.

Conclusie

Wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.7 leidt tot de conclusie dat de Svb terecht kinderbijslag aan appellante heeft geweigerd over het tweede tot en met het vierde kwartaal van 2018. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en A. van Gijzen en M. Wolfrat als leden, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2022.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) R. van Doorn

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?