Datum uitspraak: 7 juli 2022
21/2276 WAO-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juni 2021, 18/1979 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak op 10 maart 2022 niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat de Raad het hoger beroep niet inhoudelijk in behandeling kan nemen. De Raad heeft de beslissing genomen op grond van de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht.
Appellante is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring en heeft verzet ingediend.
Het verzet is behandeld ter zitting van 23 juni 2022. Appellante was daarbij aanwezig. Het Uwv is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
In de uitspraak van de Raad van 10 maart 2022 is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is betaald.
Appellante heeft de Raad verzocht het UWV op te roepen om in deze procedure op de zitting te verschijnen. De Raad heeft daarvoor geen aanleiding gezien omdat de procedure uitsluitend gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep van appellante.
Appellante heeft in de brieven van 1 juli 2021 en 3 augustus 2021 aangevoerd dat zij geen griffierecht wil betalen en dat zij geen beroep doet op vrijstelling van de betaling van griffierecht. Zij heeft hiervoor diverse redenen aangevoerd. In de uitspraak van de Raad van 10 maart 2022 is op deze argumenten uitgebreid gereageerd. De gronden die appellante in verzet aanvoert zijn een herhaling van de argumenten die zij eerder heeft aangevoerd. Er is geen aanleiding om daar thans anders over te denken. Terecht is in de uitspraak overwogen dat de regeling in het bestuursrecht over de mogelijkheden om vrijstelling van betaling van het griffierecht te krijgen van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Als appellante feitelijk minder inkomen ontvangt dan op papier staat, had het op de weg van appellante gelegen om dat bij de Raad aannemelijk te maken. Verder zijn er geen inkomensgegevens overgelegd waarop de Raad zou kunnen concluderen dat appellante recht had op vrijstelling van het griffierecht. Daarbij had appellante dan wel een beroep op vrijstelling van het griffierecht moeten doen. Dat heeft appellante niet gedaan. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding om prejudiciƫle vragen te stellen.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om proceskosten aan appellante te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.C. Boeree, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2022.
(getekend) J.C. Boeree
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt