ECLI:NL:CRVB:2022:1677

ECLI:NL:CRVB:2022:1677, Centrale Raad van Beroep, 12-07-2022, 21/2325 PW-PV

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 12-07-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/2325 PW-PV
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 1 zaken

Verwijst naar

Aangehaald door

Samenvatting

Bijstand. Herziening. Terugvordering. Boete. Nabestaandenpensioen niet gemeld. Normale verwijtbaarheid. Het college is voor de boete terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Door appellante zijn geen omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan verminderde verwijtbaarheid moet worden aangenomen.

Uitspraak

21. 2325 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 mei 2021, 20/6575 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 12 juli 2022

Zitting heeft: A.M. Overbeeke

Griffier: J.E. Eikelenboom

Voor appellante is verschenen mr. drs. ir. G.A.S. Maduro BaMa, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Biemond.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Het college heeft de bijstand van appellante herzien over de periode van 1 februari 2017 tot en met 31 juli 2020 en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.802,44 van appellante teruggevorderd omdat appellante in deze periode een nabestaandenpensioen heeft ontvangen, waarvan zij geen melding had gemaakt bij het college. In verband met de schending van de inlichtingenverplichting heeft het college een boete (na bezwaar) van € 630,- opgelegd.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden omdat zij niet bij het college heeft gemeld dat zij per 1 februari 2017 inkomsten uit een nabestaandenpensioen ontving. Het college was dan ook gehouden tot het opleggen van een boete. Het college is daarbij terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Door appellante zijn geen omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan verminderde verwijtbaarheid moet worden aangenomen. Appellante heeft met de in beroep alsnog overgelegde stukken weliswaar aannemelijk gemaakt dat haar zoon een medische aandoening heeft, maar zij heeft niet onderbouwd dat zij als gevolg van die aandoening extra kosten heeft die uit de bijstand moeten worden voldaan. Het college heeft daarbij verder terecht gewezen op de uitspraak van 15 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3292, waaruit volgt dat uitgegaan dient te worden van de fictieve draagkracht, ook als een betrokkene feitelijk over een inkomen beschikt dat lager is dan de beslagvrije voet. Omdat de schending van de inlichtingenverplichting heeft geleid tot een benadelingsbedrag hoger dan € 150,- was het college niet bevoegd tot het geven van een waarschuwing.

3. In hoger beroep heeft appellante opnieuw aangevoerd dat de schending van de inlichtingenverplichting niet dan wel verminderd verwijtbaar is omdat zij niet wist dat zij de (lage) inkomsten uit het nabestaandenpensioen moest melden. Daarnaast heeft zij geen draagkracht vanwege haar hulpbehoevende zoon. Zij maakt extra kosten voor haar zoon. Er zijn daarom voor het college voldoende redenen om af te zien van het opleggen van een boete.

4. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn nagenoeg een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig zou zijn. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. Het college heeft aangetoond dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van haar nabestaandenpensioen. Gelet hierop was het college in beginsel verplicht om een boete op te leggen. Daarbij is rekening gehouden met de draagkracht van appellante. Daarom is de boete evenredig.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) J.E. Eikelenboom (getekend) A.M. Overbeeke

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?