ECLI:NL:CRVB:2022:1773

ECLI:NL:CRVB:2022:1773, Centrale Raad van Beroep, 28-07-2022, 21/4191 AW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 28-07-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21/4191 AW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2021:5327
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006516 BWBR0008277

Samenvatting

Eervol ontslag op grond van artikel 89, tweede lid, van het Barp. De korpschef heeft in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat appellant niet aan de eisen van geschiktheid of bekwaamheid heeft voldaan.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

Bij besluit van 30 april 2019 heeft de korpschef appellant aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd van één jaar in de functie van [naam functie] , bij het Team [team] voor de periode van 1 mei 2019 tot en met 30 april 2020. Dit besluit is gebaseerd op artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).

De korpschef heeft in een brief van 30 maart 2020 aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt om hem eervol ontslag te verlenen met ingang van 1 mei 2020. Appellant is daarbij voor de periode van 30 maart 2020 tot 1 mei 2020 vrijgesteld van werkzaamheden. Appellant heeft hierop zijn zienswijze gegeven. Bij besluit van 24 april 2020 heeft de korpschef appellant op grond van artikel 89, tweede lid, van het Barp eervol ontslag verleend met ingang van 1 mei 2020. Hieraan heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat bij appellant sprake is van onvoldoende bekwaamheid of geschiktheid, met name op het gebied van samenwerking en open en transparante communicatie. Appellant heeft tegen het besluit van 24 april 2020 bezwaar gemaakt.

Bij beslissing op bezwaar van 29 september 2020 (bestreden besluit) heeft de korpschef het besluit van 24 april 2020 gehandhaafd, onder aanvulling van de motivering en met verwijzing naar de in bezwaar verkregen stukken van collega’s en leidinggevenden van appellant.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef op basis van de schriftelijke verklaringen en e-mailberichten van collega’s en leidinggevenden het ontslag heeft mogen verlenen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat, hoewel geen formele verslaglegging heeft plaatsgevonden, uit de genoemde stukken naar voren komt dat appellant zich bij herhaling dominant opstelde, collega’s persoonlijk (verbaal) aanviel, geen tegenspraak duldde, niet met bepaalde personen wilde samenwerken, een collega heeft uitgelachen in het bijzijn van anderen en zijn leidinggevende openlijk afviel. Tot de genoemde stukken behoren ook e-mailberichten aan appellant die dateren uit de periode van zijn dienstverband, zodat de verklaringen waarop de korpschef zich baseert – anders dan appellant stelt – ook steun vinden in andere objectieve stukken. De enkele omstandigheid dat de verklaringen achteraf zijn opgesteld geeft de rechtbank geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid en juistheid hiervan te twijfelen, omdat de verklaringen individueel, in eigen bewoordingen en met vermelding van persoonlijke ervaringen zijn opgesteld en afkomstig zijn van medewerkers die in een verschillende verhouding tot appellant stonden. De door appellant ingebrachte verklaringen van twee collega’s hebben de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid, omdat deze verklaringen niet onverenigbaar zijn met de verklaringen waarop de korpschef zich heeft gebaseerd. Zo is in één van deze verklaringen opgenomen dat appellant overweldigend kan overkomen, een harde manier heeft van zaken bespreekbaar maken en anderen misschien niet meer met hem wilden samenwerken. Uit de stukken waarop de korpschef zich baseert kan volgens de rechtbank worden opgemaakt dat appellant op verschillende momenten en in duidelijke bewoordingen door collega's en leidinggevenden op de onwenselijkheid van zijn gedrag is aangesproken. Daarom bestaat geen aanleiding om te concluderen dat appellant onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn functioneren te verbeteren. De rechtbank heeft verder overwogen dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De aanmelding op 10 januari 2020 voor een veiligheidsonderzoek bij de AIVD vloeit voort uit de Wet veiligheidsonderzoeken en vormt geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging dat appellant een vaste aanstelling zou worden verleend.

3. In hoger beroep heeft appellant, kort samengevat, aangevoerd dat de korpschef met de verklaringen die pas in de bezwaarfase zijn ingebracht niet aannemelijk heeft gemaakt en niet deugdelijk aan de hand van concrete feiten en omstandigheden heeft gemotiveerd dat appellant niet aan de in redelijkheid te stellen verwachtingen voldeed. Bovendien is appellant niet, althans onvoldoende, aangesproken op zijn functioneren en heeft hij geen gelegenheid gekregen om zijn functioneren te verbeteren. Daarnaast heeft hij er op mogen vertrouwen dat een vaste aanstelling zou volgen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De toetsing van een besluit tot niet voortzetten van een tijdelijk dienstverband na afloop van de proeftijd is terughoudend. Deze toetsing is, in een zaak als hier aan de orde, waarin het gaat om een ontslag op grond van artikel 89, tweede lid, van het Barp, in beginsel beperkt tot de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de betrokken ambtenaar niet aan de eisen van geschiktheid of bekwaamheid heeft voldaan. Het bestuursorgaan hoeft niet aannemelijk te maken dat de ambtenaar blijk heeft gegeven van ongeschiktheid die het ontslag van een in vaste dienst aangestelde ambtenaar zou kunnen rechtvaardigen.

De Raad stelt vast dat wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd in essentie een herhaling is van wat hij aan zijn beroep bij de rechtbank ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de hierop betrekking hebbende overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne. De Raad voegt hieraan toe dat appellant wordt gevolgd in zijn standpunt dat er al vóór zijn aanstelling spanningen waren binnen het team. Dit laat onverlet dat uit de verschillende verklaringen en e-mailberichten volgt dat appellant met zijn gedrag niet heeft bijgedragen aan een oplossing van de ontstane spanningen, maar daaraan juist verder heeft bijgedragen.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat kan worden geoordeeld dat de korpschef in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat appellant niet aan de eisen van geschiktheid of bekwaamheid heeft voldaan. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en L.M. Tobé en J.C.F Talman als leden, in tegenwoordigheid van D. Al-Zubaidi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2022.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) D. Al-Zubaidi

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?