20 3036 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 juli 2020, 20/1389 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
Datum uitspraak: 2 augustus 2022
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. H. Kouw hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2022. Appellant heeft, bijgestaan door mr. Kouw en in aanwezigheid van zijn werkgever [werkgever] , via een videoverbinding deelgenomen aan de zitting. Het college heeft zich, eveneens via een videoverbinding, laten vertegenwoordigen door W.M. Haitjema-Oegema.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellanten ontvingen sinds 7 april 2017 (aanvullend) bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de Participatiewet (PW). Appellant werkte sinds 1 oktober 2018 gedurende 20 uren per maand in een slagerij in [vestigingsplaats] (slagerij), voor € 13,34 per uur, exclusief vakantietoeslag.
Omdat het vermoeden bestond dat appellant mogelijk meer uren werkte dan hij had opgegeven, hebben twee sociaal rechercheurs van de gemeente Almere een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader hebben de sociaal rechercheurs onder meer dossieronderzoek gedaan, diverse registers geraadpleegd en bij appellanten bankafschriften opgevraagd. Op 4 november 2019 hebben de sociaal rechercheurs met appellanten gesproken. Appellant heeft toen onder meer het volgende verklaard:
“Ik kom buiten mijn werktijden in de winkel en ben daar dan. Als ik daar ben dan komt het wel eens voor dat ik [X] help. Als [X] het druk heeft in de winkel dan help ik hem inderdaad. Ik krijg daar niet voor betaald. Hij is mijn vriend. Ik doe dan het werk waar ik normaal ook door [X] voor betaald wordt. […] U vraagt mij of ik naast mijn werk waar ik voor word […] betaald door [X] ook extra betaald krijg. Ik zeg u dat dit niet zo is. Ik zeg u dat [X] mij in zo een geval geen geld geeft maar twee kilo banaan of vlees of een kip. […] Ik zeg u dat dit twee maanden geleden is begonnen. Ik bedoel daarmee dat ik vanaf dat tijdstip, twee maanden geleden dat is vanaf begin september, 2, 3 of 5 september, naast mijn werktijden ook daarbuiten in de winkel van [X] was en daar werkzaamheden uitvoerde.”
De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 8 november 2019.
Bij besluit van 18 november 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 maart 2020 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 2 september 2019 ingetrokken. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant meer werkzaamheden heeft verricht dan opgegeven. Gelet hierop hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. Daarom loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode van 2 september 2019, de datum van intrekking, tot en met de datum van het intrekkingsbesluit, 18 november 2019.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
Niet in geschil is dat appellant meer uren in de slagerij aanwezig was dan hij bij het college heeft opgegeven. Appellant heeft aangevoerd dat hij door die uren niet te melden niet de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het enkele feit dat hij aanwezig was, betekent niet dat hij op geld waardeerbare arbeid verrichtte. Weliswaar blijkt uit de verklaring dat appellant buiten zijn werktijden de slagerij bezocht, maar deze bezoeken hadden een sociaal maatschappelijk karakter en hij heeft daaruit geen extra inkomsten verkregen anders dan een zak bananen, een stukje vlees of kip voor de door hem verrichte hulp. Die hulp was qua aard, omvang en duur zeer beperkt.
De Raad ziet aanleiding om bij de beoordeling van deze beroepsgrond onderscheid te maken tussen twee perioden: de periode van 2 september 2019 tot en met 4 september 2019 (periode 1) en de periode van 5 september 2019 tot en met 18 november 2019 (periode 2).
Periode 1
De in 4.3 weergegeven beroepsgrond slaagt voor zover deze ziet op periode 1. De onderzoeksbevindingen bieden geen toereikende feitelijke grondslag voor de intrekking van de bijstand over die periode.
Appellant heeft zoals weergegeven in 1.2 op 4 november 2019 onder meer verklaard dat hij sinds twee maanden, dat wil zeggen vanaf 2, 3 of 5 september, ook buiten zijn werktijden in de winkel van X was en daar werkzaamheden uitvoerde. Door de sociaal rechercheurs is daarop niet doorgevraagd. Ook anderszins heeft het college geen nader onderzoek verricht. Daarmee is de aanvangsdatum van de extra werkzaamheden onduidelijk gebleven. Dit betekent dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant al voor 5 september 2019 buiten zijn werktijden in de winkel aanwezig was en dat appellant dus voor die periode de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het bestreden besluit berust voor zover het de intrekking over periode 1 betreft dan ook op een ontoereikende feitelijke grondslag. De gemachtigde van het college heeft ter zitting van de Raad desgevraagd verklaard geen nadere motivering te kunnen geven voor het standpunt van het college dat het recht op bijstand vanaf 2 september 2019 niet kan worden vastgesteld. Dit betekent dat het college niet bevoegd was de bijstand over periode 1 in te trekken.
Periode 2
De in 4.3 weergegeven beroepsgrond, slaagt niet voor zover het periode 2 betreft.
Het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden is een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of daaruit daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Hierbij is van betekenis dat, gelet op artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de PW, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij/zij redelijkerwijs kan beschikken. Het gaat dus om werkzaamheden waar normaliter een beloning tegenover staat of die de betrokkene daarvoor redelijkerwijs kan bedingen. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646).
De aanwezigheid van een betrokkene op zijn werkplek tijdens reguliere arbeidsuren rechtvaardigt de vooronderstelling dat hij gedurende alle uren waarop hij daar aanwezig is op geld waardeerbare arbeid verricht. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 20 september 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU2890). In dit geval heeft appellant het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Zijn eigen verklaring, zoals in 1.2 geciteerd, wijst er juist op dat hij daar wel op geld waardeerbare arbeid verrichtte. Dat appellant buiten werktijd voornamelijk om sociale redenen in de slagerij kwam, maakt niet dat geen sprake is van op geld waardeerbare werkzaamheden.
Appellanten hebben van deze op geld waardeerbare werkzaamheden geen melding gemaakt bij het college. Daarmee hebben zij de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.
Appellanten hebben voorts aangevoerd dat het recht op bijstand kan worden vastgesteld.
Deze beroepsgrond slaagt. Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening. Vergelijk de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beschikbare gegevens voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt dat het recht op bijstand over periode 2 schattenderwijs kan worden vastgesteld.
Uit Suwinet blijkt dat appellant vanaf oktober 2019 tot en met 31 december 2019 – dus een groot gedeelte van te beoordelen periode – 36 uren per maand heeft gewerkt bij de slagerij. Mede op basis van deze gegevens, die al ten tijde van het onderzoek bekend waren, is aan appellanten met ingang van 5 februari 2020 opnieuw bijstand toegekend. Er zijn geen aanwijzingen dat appellant in periode 2 meer uren heeft gewerkt dan 36 uren per maand. Gelet hierop valt niet in te zien waarom het college niet ook voor periode 2 uit kon gaan van die gegevens.
Uit 4.7 tot en met 4.7.3 volgt dat het college gehouden was het recht op bijstand van appellanten vanaf 5 september 2019 vast te stellen, uitgaande van een gewerkt aantal uren van 36 per maand. Dit betekent ook dat het college niet bevoegd was de bijstand over periode 2 in te trekken. Het college is wel gehouden om in verband met de meer gewerkte uren de bijstand over deze periode te herzien met toepassing van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW en de kosten van te veel betaalde bijstand van appellanten terug te vorderen met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de PW.
De rechtbank heeft hetgeen in 4.5.1 en 4.8 is overwogen niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Nu de Raad onvoldoende financiële gegevens heeft om zelf in de zaak te voorzien en het nog slechts gaat om een financiële uitwerking van wat in 4.5.1 en 4.8 is overwogen, zal het college worden opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 18 november 2019. Op basis hiervan dient het college het (aanvullend) recht op bijstand van appellanten over de te beoordelen periode vast te stellen.
Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Raad verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.
5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 1.082,- in bezwaar, € 1.518,- in beroep en € 1.518,- in hoger beroep, derhalve in totaal € 4.118,- voor verleende rechtsbijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door E.C.G. Okhuizen, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2022.
(getekend) E.C.G. Okhuizen
(getekend) L.C. van Bentum