21/1506 WIA-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2021, 20/3458 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te Turkije (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 10 augustus 2022
Zitting heeft: H.G. Rottier
Griffier: K.M. Geerman
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2022. Geen van de partijen is ter zitting verschijnen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uwv waarbij hij met ingang van 4 november 2019 37,48% arbeidsongeschikt wordt geacht. In beroep heeft het Uwv dat percentage aangepast naar 37,40%. Gehandhaafd is de datum van inwerkingtreding van dat nieuwe percentage. Die datum is bepaald op 1 december 2021. Tot die tijd blijft zijn WIA-uitkering ongewijzigd. De rechtbank heeft het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak is het hoger beroep gericht.
Appellant heeft zich tussentijds gemeld met toegenomen klachten. Als gevolg daarvan is hij met ingang van 1 december 2021 in aanmerking is gebracht van een WIA-uitkering gebaseerd op volledige arbeidsongeschiktheid. Dat betekent dat er voor appellant voor de periode die thans in geding is, geen financiële gevolgen zijn wat betreft de hoogte van zijn uitkering. Appellant is in de gelegenheid gesteld om toe te lichten welke andere belangen er nog zouden kunnen zijn bij een beoordeling van het bestreden besluit. Die nadere toelichting is niet verstrekt.
In vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld zijn uitspraak van 1 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM7208, is neergelegd dat pas sprake is van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.
Vaste rechtspraak is verder dat het procesbelang in ieder geval niet ontleend kan worden aan de mogelijkheid om griffierecht- of proceskostenvergoeding te verkrijgen nu een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit voor een veroordeling tot vergoeding van griffierecht of proceskosten geen wettelijke voorwaarde is, zie de uitspraak van de Raad van 27 mei 1997, ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6963.
Dat betekent dat appellant geen procesbelang heeft.
Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten of tot een vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) K.M. Geerman (getekend) H.G. Rottier