21. 3199 AKW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 juli 2021, 20/4654 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 21 april 2022
Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: E.J. van der Veldt
Ter zitting zijn verschenen: appellante bijgestaan door mr. G.J. de Kaste, advocaat
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellante heeft kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontvangen voor haar dochters [naam 1] en [naam 2] [achternaam] . Beide kinderen zijn vanaf 9 augustus 2016 uit huis geplaatst. Bij besluit van 22 november 2016 heeft de Svb het recht op kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 2016 beëindigd, omdat appellante niet heeft voldaan aan de onderhoudseis. Appellante heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.
Op 17 juni 2020 heeft appellante opnieuw kinderbijslag aangevraagd voor [naam 1] en [naam 2] . Met een besluit van 11 augustus 2020 heeft de Svb kinderbijslag toegekend vanaf het tweede kwartaal van 2019. Hierbij is in aanmerking genomen dat appellante vanaf dat kwartaal heeft voldaan aan de onderhoudseis. Bij het besluit van 9 november 2020 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen de ingangsdatum van de toekenning van de kinderbijslag ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de kinderbijslag niet eerder kan ingaan dan met ingang van de eerste dag van tweede kwartaal van 2019. Het beroep van appellante is ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft gesteld dat zij op grond van bijzondere omstandigheden recht heeft op kinderbijslag met een verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar. Aangevoerd is dat de Svb appellante in 2016 niet heeft gewezen op de forfaitaire onderhoudsbijdrage voor dagen waarop de kinderen bij appellante verblijven en op forfaitaire kosten van vervoer. Als appellante hiervan op de hoogte zou zijn geweest, zou zij wel recht op kinderbijslag hebben gehad.
De Raad is het eens met de rechtbank. Appellante heeft haar aanvraag voor het eerst gedaan op 17 juni 2020. Hierdoor is het sinds 1 januari 2016 gewijzigde artikel 14, derde lid, van de AKW van toepassing. Op grond van die dwingendrechtelijke bepaling kan het recht op kinderbijslag niet vroeger in gaan dan één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag werd ingediend. De mogelijkheid om in bijzondere gevallen een uitzondering te maken is sinds 1 januari 2016 niet meer in artikel 14 van de AKW opgenomen. Artikel 14, derde lid, van de AKW biedt geen ruimte voor een belangenafweging en toetsing aan het evenredigheidsbeginsel.
Appellante heeft op de formulieren van 3 oktober 2016 de vragen over de onderhoudskosten niet ingevuld. Wel heeft appellante de Svb in november 2016 laten weten dat zij onvoldoende onderhoudskosten heeft om voor kinderbijslag in aanmerking te komen. Appellante heeft daarmee het risico genomen dat de Svb niet kon beschikken over gegevens die van belang zijn voor de vaststelling van het recht op kinderbijslag. Er is geen sprake van zeer bijzondere omstandigheden waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden, waardoor strikte toepassing van artikel 14, derde lid, van de AKW in strijd zou komen met een fundamenteel rechtsbeginsel.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) E.J. van der Veldt (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum