OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant heeft zich bij het college gemeld voor opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Het college heeft bij besluit van 18 maart 2019, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 30 juli 2019 (bestreden besluit), de aanvraag om een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang afgewezen.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant vanaf één week na datum van de uitspraak recht heeft op opvang en dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat hij al vanaf de datum van de aanvraag recht had op maatschappelijke opvang. Daarbij heeft hij aangevoerd dat zijn belang bij een inhoudelijk oordeel over de aangevallen uitspraak eruit bestaat dat hij door het onrechtmatige besluit schade heeft geleden. Als gevolg van de weigering van de opvang heeft hij zijn verblijfplaats niet kunnen duiden, waardoor hij slechts over de periode van 21 februari 2019 tot 20 maart 2019 een bijstandsuitkering heeft ontvangen. Appellant verzoekt de Raad het hoger beroep gegrond te verklaren en het college te veroordelen tot vergoeding van schade bestaande uit de gederfde bijstandsuitkering over de periode 20 maart 2019 tot 2 maart 2020.
Het college heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat appellant geen procesbelang heeft. Volgens het college is op voorhand onaannemelijk dat appellant schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit. Ook zonder verblijf in de opvang zou appellant voor een uitkering in aanmerking hebben kunnen komen als hij zijn verplichtingen op grond van de Participatiewet zou zijn nagekomen. Dat heeft hij echter niet gedaan.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:NL:CRVB:2020:887) is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
De Raad is van oordeel dat appellant geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Het is namelijk op voorhand onaannemelijk dat appellant schade heeft geleden als gevolg van de hier in geschil zijnde besluitvorming. Dat appellant vanaf 20 maart 2019 geen bijstand meer ontving, is blijkens de in rechte vaststaande beslissing op bezwaar van 7 april 2019 het gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Aan de gestelde schade kan daarom geen procesbelang worden ontleend. Ook overigens is van procesbelang niet gebleken.
Uit wat onder 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard en dat het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en A. van Gijzen en A.E. Dutrieux als leden, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2022.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt