20 3370 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 augustus 2020, 19/5254 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)
Datum uitspraak: 19 oktober 2022
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. van ’t Laar hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2022. Namens appellant is mr. Van ’t Laar verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.C.J.P. Melsen en S. Mattijssen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Het college heeft bij besluit van 3 december 2013 appellant toegelaten tot Hulp aan Huis en besloten dat hij in Tarief 3 valt. Als hij gebruik maakt van Hulp aan Huis betaalt hij een bijdrage.
Appellant heeft bij brief van 8 maart 2019 het college verzocht de aan 18k te betalen periodieke bijdrage voor het gebruik van Hulp aan Huis voor het jaar 2019 op nihil te stellen en de door hem in 2019 betaalde bijdragen te restitueren.
Het college heeft dit verzoek bij brief van 10 april 2019 afgewezen.
Appellant heeft bij brief van 15 juli 2019 het verzoek gehandhaafd en verzocht alle betaalde bijdragen van de voorgaande jaren te restitueren. Het college heeft bij brief van 22 oktober 2019 ook dit verzoek afgewezen.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen dat er geen onrechtmatig besluit is. Daarom bestaat geen aanleiding het college te veroordelen tot vergoeding van schade.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat met het onder 1.2 vermelde verzoek niet is beoogd terug te komen van het onder 1.1 vermelde besluit, maar is beoogd de betaalde bijdragen te restitueren. Door het verzoek te kwalificeren als een verzoek om schadevergoeding en te overwegen dat er geen onrechtmatig besluit is, is de rechtbank buiten de omvang van het geschil getreden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De gemachtigde van appellant heeft tijdens de zitting bij de Raad bevestigd dat appellant niet heeft verzocht het besluit van 3 december 2013 te herzien. Daarmee kan het verzoek van appellant aan de bestuursrechter niet anders worden gekwalificeerd dan als een verzoek om schadevergoeding. Er bestaat daarom geen aanleiding te oordelen dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden.
De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat er geen onrechtmatig besluit is, zodat het verzoek om schadevergoeding moest worden afgewezen.
Uit 4.1 en 4.2. volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins als voorzitter en B.J. van de Griend en A.E. Dutrieux als leden, in tegenwoordigheid van E.J. van der Veldt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2022.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) E.J. van der Veldt