21. 3611 ZVW
Datum uitspraak: 26 oktober 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 augustus 2021, 21/283 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
CAK
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
CAK heeft een verweerschrift ingediend.
Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2022. Appellant is verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Kammen, werkzaam bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).
OVERWEGINGEN
Appellant is op 1 mei 2015 door zijn zorgverzekeraar Avéro Achmea Zorgverzekering N.V. bij CAK aangemeld als wanbetaler in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Daarom is hij maandelijks een bestuursrechtelijke premie verschuldigd.
CAK heeft bij besluit van 2 september 2020 aan appellant meegedeeld dat op grond van artikel 18f, zesde lid, van de Zvw de zorgtoeslag van appellant wordt uitbetaald aan het CJIB ter gedeeltelijke voldoening van de door appellant verschuldigde bestuursrechtelijke premie (omleiding zorgtoeslag). Voor het resterende premiebedrag ontvangt appellant een brief.
Bij besluit van 15 januari 2021 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 september 2020 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd. De Belastingdienst heeft beslist dat appellant, in ieder geval voor het jaar 2020, uiteindelijk geen recht had op zorgtoeslag en heeft deze van appellant teruggevorderd. Appellant heeft de zorgtoeslag echter niet zelf ontvangen, omdat deze als gevolg van het besluit van 2 september 2020 is omgeleid naar het CJIB. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat het CJIB de ontvangen zorgtoeslag moet terugbetalen aan de Belastingdienst.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De besluitvorming van CAK houdt in dat wanneer zorgtoeslag aan appellant of zijn partner wordt uitbetaald, dit rechtstreeks zal worden overgemaakt aan CAK als tegemoetkoming in de bestuursrechtelijke premie. De bevoegdheid hiertoe is neergelegd in de Zvw. In artikel 18f, zesde lid van de Zvw is bepaald dat in opdracht van het CAK een aan de verzekeringnemer of zijn partner uit te betalen zorgtoeslag als bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag of een voorschot daarop, in afwijking van artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijk regelingen, als tegemoetkoming in de bestuursrechtelijke premie aan het CAK wordt uitbetaald. Indien achteraf wordt vastgesteld dat er geen recht op zorgtoeslag bestond, betekent dit niet dat CAK niet bevoegd zou zijn om een besluit als bedoeld in dit artikel te nemen. In wat appellant heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en D.S. de Vries en A.E. Dutrieux als leden, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2022.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) R. van Doorn