ECLI:NL:CRVB:2022:2443

ECLI:NL:CRVB:2022:2443, Centrale Raad van Beroep, 16-11-2022, 21 / 3272 WSF

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 16-11-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 21 / 3272 WSF
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011453

Samenvatting

Herziening en terugvordering studiefinanciering. Appellant woonde ten tijde van het huisbezoek niet op het brp-adres.

Uitspraak

21. 3272 WSF

Datum uitspraak: 16 november 2022

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 28 juli 2021, 20/4632 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Boukich, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben desgevraagd nadere informatie verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boukich en vergezeld door [X 1] en [Y]. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

Appellant heeft vanaf 17 september 2019 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven gestaan onder het adres [brp-adres] in [woonplaats] (brp-adres). Als hoofdbewoner stond onder dit adres [A] ingeschreven.

Appellant heeft, voor zover hier van belang, van oktober 2019 tot en met september 2020 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

Op 1 oktober 2020 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het brpadres. Van de bevindingen van het onderzoek is een rapport opgemaakt.

Bij besluiten van 7 oktober 2020 heeft de minister, op basis van de bevindingen van het onder 1.3 vermelde onderzoek, de aan appellant toegekende studiefinanciering met ingang van 1 oktober 2019 herzien, in die zin dat hij vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Bij besluit van 8 oktober 2020 is een bedrag van € 2.571,42 van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 27 november 2020 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 7 en 8 oktober 2020 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek van de minister zorgvuldig uitgevoerd, is het verrichte onderzoek niet onrechtmatig en heeft de minister aannemelijk gemaakt dat appellant ten tijde van het huisbezoek niet woonde op het brp-adres. Uit het rapport volgt dat medebewoonster [B] de deur heeft geopend en zich met een Marokkaans paspoort heeft gelegitimeerd, dat de toezichthouders via videobellen met haar man en bewoner [X 1] hebben gesproken en dat hij voor zijn vrouw [B] heeft getolkt. De verklaring van [X 1] is ter plekke in fysieke aanwezigheid van [B] en in digitale aanwezigheid van [X 1] opgesteld. Er is toestemming verleend voor binnentreding en er is getekend voor de verklaring, inhoudende dat zijn neven [B] en appellant zijn verhuisd omdat zijn vrouw uit Marokko is overgekomen, dat daardoor geen ruimte meer is voor de neven en dat zij hun spullen hebben meegenomen. De verklaring is naar het door [X 1] opgegeven e-mailadres gemaild. Daarop is geen reactie gekomen dat de verklaring niet klopte. Volgens vaste rechtspraak mag, indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de eerst afgelegde verklaring. Verder heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank met de door hem overgelegde verklaringen en overboekingsbewijzen niet onomstotelijk bewezen dat het wettelijk vermoeden onjuist is en hij zijn hoofdverblijf wél had op het brpadres in (een deel van) de periode voorafgaand aan het huisbezoek.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat het onderzoek van de minister zorgvuldig is uitgevoerd en dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat appellant ten tijde van het huisbezoek niet woonde op het brp-adres. In dit verband is evenals in beroep gesteld dat het huisbezoek onrechtmatig was. Verder heeft de rechtbank volgens appellant te weinig betekenis gehecht aan de door hem overgelegde verklaringen en overboekingsbewijzen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden gewogen en daarover een gemotiveerd oordeel gegeven. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De tijdens het huisbezoek door bewoner [X 1] afgelegde verklaring biedt voldoende feitelijke grondslag voor de vaststelling dat appellant ten tijde van het huisbezoek niet woonde op het brp-adres. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet worden uitgegaan van de juistheid van een tegenover een controleur afgelegde en ondertekende verklaring. De Raad ziet geen aanleiding om in deze zaak van dit uitgangspunt af te wijken. De verklaring is namens [X 1] ondertekend door zijn echtgenote. Bewoner [X 1] heeft het doel van het huisbezoek van 1 oktober 2020 onweersproken begrepen en hij heeft nadat hem de verklaring op 7 oktober 2020 is gemaild niet onverwijld te kennen gegeven dat de controleurs zijn verklaring onjuist hebben vastgelegd. Pas op 15 december 2020 heeft [X 1] verklaard dat er sprake zou zijn geweest van miscommunicatie en dat hij tijdens het huisbezoek te kennen gegeven heeft dat neef [B] niet meer op het brp-adres woonde, maar appellant nog wel. Gelet op het tijdsverloop en omdat niet is gebleken van objectieve omstandigheden die duiden op miscommunicatie, hecht de Raad aan de nadere verklaring van [X 1] niet de betekenis die appellant eraan toekent. Dat betekent dat de minister heeft mogen vasthouden aan de verklaring die ten overstaan van de controleurs is afgelegd.

Uitgangspunt bij een belastend besluit, zoals de onder 1.4 genoemde herziening, is dat de bewijslast en het bewijsrisico in eerste instantie bij het bestuursorgaan liggen. De minister moet daarom in zaken als deze aannemelijk maken dat de studerende op de controledatum niet voldeed aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000. Uit de wettelijke systematiek, zoals beschreven in eerdere uitspraken van de Raad, vloeit verder voort dat als de minister aannemelijk heeft gemaakt dat de studerende op de controledatum niet voldeed aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, wordt vermoed dat ook in de daaraan voorafgaande periode niet is voldaan aan de verplichtingen van artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000. Dit wettelijk vermoeden kan door de studerende worden weerlegd. Daartoe wordt van de studerende onomstotelijk bewijs verlangd, wat wil zeggen bewijsmiddelen die zodanig overtuigend zijn, dat zij, in onderlinge samenhang bezien, de conclusie rechtvaardigen dat de studerende in (een deel van) de periode voorafgaande aan het huisbezoek op de controledatum wèl op het brp-adres heeft gewoond. Slaagt de studerende in dat bewijs, dan moet de minister onder toepassing van de hardheidsclausule afwijken van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, wat ertoe leidt dat over (een deel van) de betrokken periode geen grondslag bestaat voor herziening.

Appellant heeft met de door hem overgelegde bewijsmiddelen niet onomstotelijk bewezen dat hij in (een deel van) de periode voorafgaand aan het huisbezoek van 1 oktober 2020 zijn hoofdverblijf had op het brp-adres. De door appellant overgelegde getuigenverklaringen zijn afkomstig van familieleden, geven geen blijk van gedetailleerde kennis van de woonsituatie van appellant, en worden niet ondersteund door verklaringen van derden en/of andere bewijsmiddelen. Op de door appellant overgelegde overboekingsbewijzen is vermeld dat tien maal een bedrag van € 125,- is overgemaakt naar de hoofdbewoner van het brp-adres. Waarop deze overboekingen betrekking hebben is echter niet vermeld en ook staan de naam en het adres van appellant niet op de overgelegde overboekingsbewijzen.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2022.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?