20/3187 PW-PV en 22/598 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 3 augustus 2020, 19/4602 (aangevallen uitspraak 1) en van 12 januari 2022, 20/1048 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Avres (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 8 november 2022
Zitting heeft: M. HillenGriffier: Y.S.S. Fatni
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2022. Voor appellant is [gemachtigde] verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. J.G.H. Hartwijk.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Bij besluit van 9 april 2018 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant over de periode van 1 november 2013 tot en met 31 december 2017 herzien. Bij besluit van
26 juli 2018 (terugvorderingsbesluit) heeft het dagelijks bestuur de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 14.870,30 van appellant teruggevorderd.
Bij besluit van 28 februari 2019 na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 juli 2019 (bestreden besluit 1) heeft het dagelijks bestuur appellant een boete opgelegd van € 1.230,72. Daaraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld dat hij in de periode van 1 november 2013 tot 1 november 2017 inkomsten heeft ontvangen van de Stichting Philadelphia, stortingen van derden heeft ontvangen en zelf ook contante stortingen heeft gedaan op zijn bankrekening.
Bij besluit van 17 februari 2020 (bestreden besluit 2) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard.
Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.
Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.
Appellant heeft aangevallen uitspraak 1 bestreden, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand heeft gelaten. Appellant stelt dat het boetebesluit niet in werking is getreden, omdat het niet is bekendgemaakt aan de gemachtigde van appellant. Deze beroepsgrond slaagt niet. In het midden kan blijven of het dagelijks bestuur het boetebesluit aan de gemachtigde van appellant had moeten toezenden. Immers volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2015:960) vangt, als een besluit niet op de juiste wijze is bekendgemaakt, de beroepstermijn alsnog aan op de dag waarop de gemachtigde van de belanghebbende een afschrift van die uitspraak onder ogen heeft gekregen. Uit het bezwaarschrift dat de gemachtigde tegen het boetebesluit heeft ingediend, blijkt dat de gemachtigde van appellant op de hoogte is geraakt van het boetebesluit. Daarmee wordt vastgesteld dat bekendmaking heeft plaatsgevonden, en dat het boetebesluit in werking is getreden.
Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de op zijn bankrekening bijgeschreven en gestorte bedragen. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het dagelijks bestuur was daarom in beginsel verplicht een boete op te leggen.
Niet in geschil is dat de boete inmiddels volledig is afgelost. Dit betekent dat de actuele financiële omstandigheden van appellant geen aanleiding geven om de boete wegens de draagkracht van appellant verder te matigen. De opgelegde boete is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellant gebleken omstandigheden.
Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt dus niet.
Tegen aangevallen uitspraak 2 heeft appellant aangevoerd dat het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het terugvorderingsbesluit niet op de juiste wijze bekend is gemaakt. Appellant heeft namelijk geen afhaalbericht ontvangen, zodat moet worden geconcludeerd dat het terugvorderingsbesluit niet op regelmatige wijze is aangeboden op het adres van appellant. Bovendien had het terugvorderingsbesluit niet aan appellant, maar aan de gemachtigde van appellant moeten worden verzonden. Deze grond slaagt niet.
Volgens de al genoemde vaste rechtspraak van de Hoge Raad vangt, als een besluit niet op de juiste wijze is bekendgemaakt, de beroepstermijn alsnog aan op de dag waarop de gemachtigde van de belanghebbende een afschrift van die uitspraak onder ogen heeft gekregen. Niet in geschil is dat de gemachtigde van appellant het terugvorderingsbesluit op
20 september 2018 onder ogen heeft gekregen. Appellant heeft het als bezwaar aangemerkte beroepschrift meer dan zes weken daarna ingediend, op 27 november 2018. Dit betekent dat het dagelijks bestuur terecht heeft vastgesteld dat appellant bezwaar heeft gemaakt na het verstrijken van de wettelijke bezwaartermijn. Appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd die leiden tot de conclusie dat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is te achten. Dat het dagelijks bestuur fouten maakt, is niet een dergelijke omstandigheid. Verder betekent het feit dat de rechtbank het beroepschrift van
27 november 2018 als bezwaar aan het dagelijks bestuur heeft doorgezonden, niet dat de rechtbank een oordeel heeft gegeven over de ontvankelijkheid van het bezwaar. Dat oordeel was aan het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur heeft het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 slaagt dus ook niet.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) Y.S.S. Fatni (getekend) M. Hillen
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep