20. 2955 PW, 20/3803 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2020, 20/629 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (appellant)
Datum uitspraak: 25 januari 2022
Zitting heeft: A.M. Overbeeke
Griffier: V.M. Candelaria
Voor appellant is ter zitting verschenen mr. P.M. Iwema, advocaat. Het college heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. H. Biemond.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellant is op 8 juli 2019 vanuit Nederland naar Nigeria gegaan. Op 6 augustus 2019 meldt hij dat hij ernstig ziek is geworden en is opgenomen in een ziekenhuis in Nigeria. Appellant is op 4 september 2019 weer terug in Nederland.
Niet in geschil is dat appellant ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Participatiewet (PW) in de periode van 6 augustus 2019 tot en met 4 september 2019 was uitgesloten van het recht op bijstand.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de PW kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van onder meer artikel 13 van de PW, bijstand verlenen aan een persoon die geen recht op bijstand heeft indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr. 3, blz. 46-47) volgt dat zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW zich voordoen als sprake is van een acute noodsituatie én de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Dit artikellid is een uitzonderingsbepaling. Zoals vaker overwogen (uitspraak van 1 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK6576) ligt het daarom op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat van een acute noodsituatie sprake was en dat die alleen met bijstandsverlening te verhelpen was.
Anders dan volgt uit de aangevallen uitspraak, is tussen partijen niet in geschil dat in dit geval sprake was van een acute noodsituatie. Appellant heeft echter de behoeftige omstandigheden niet aannemelijk gemaakt. Appellant ontving met ingang van 6 augustus 2019 geen bijstand meer. De enkele omstandigheden dat vaste lasten doorlopen, zoals appellant heeft gesteld, maakt nog niet dat sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van de PW (vgl. evenvermelde memorie van toelichting en de uitspraak van 25 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9649). Verder heeft appellant verklaard dat zijn familie een op 30 augustus 2019 gedateerde rekening van het ziekenhuis in Nigeria tot een bedrag van 980,- Nigeriaanse dollar heeft betaald. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de als gevolg van de acute noodsituatie ontstane behoeftige omstandigheden alleen met bijstand te verhelpen waren.
De rechtbank heeft het beroep dan ook terecht ongegrond verklaard. Dit betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, moet worden bevestigd. Hieruit volgt dat het door het college ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep geen bespreking behoeft.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) V.M. Candelaria (getekend) A.M. Overbeeke