ECLI:NL:CRVB:2022:257

ECLI:NL:CRVB:2022:257, Centrale Raad van Beroep, 18-01-2022, 18/4093 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 18-01-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 18/4093 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002221 BWBR0006358 BWBR0015703

Samenvatting

Recht op AIO-aanvulling ten onrechte opgeschort, ingetrokken en teruggevorderd. Appellante heeft de gevraagde informatie over haar Russische pensioen niet verstrekt. De Svb heeft daarom het recht op bijstand vanaf 13 juni 2016 opgeschort en ingetrokken, en de bijstand over de periode daaraan voorafgaand ingetrokken en teruggevorderd. De Raad oordeelt dat de Svb niet in redelijkheid gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid tot opschorting vanaf 13 juni 2016. De Svb was er namelijk al vanuit gegaan dat appellante recht had op Russisch pensioen en heeft dit pensioen schattenderwijs in mindering gebracht op de AIO-aanvulling. De Svb was daarom niet bevoegd om de AIO-aanvulling vanaf 13 juni 2016 in te trekken. De Svb mocht ook de AIO-aanvulling over de daaraan voorafgaande periode niet intrekken en terugvorderen. Het recht op AIO-aanvulling is namelijk wel schattenderwijs vast te stellen.

Uitspraak

Aangevallen uitspraak 1

Herziening AIO-aanvulling in verband met gewijzigd aantal kosten delende medebewoners

Tussen partijen is in geschil of de Svb C in de periode van 1 november 2015 tot 1 februari 2016 terecht als kosten delende medebewoner van appellante heeft aangemerkt. Appellante heeft aangevoerd dat C in de periode van 1 november 2015 tot 1 februari 2016 ook al studeerde en dus niet pas met ingang van 1 februari 2016. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiertoe is het volgende van belang.

De uitzondering op het begrip “kostendelende medebewoner” voor studenten staat sinds 1 januari 2016 in artikel 19a van de PW. Sinds 1 januari 2015 stond deze uitzondering al in artikel 22a, vijfde lid, aanhef en onder d, van de PW. Uit deze artikelen volgt – kort gezegd – dat een persoon die onderwijs volgt onder bepaalde voorwaarden niet als kosten delende medebewoner wordt aangemerkt.

Uit de informatie in het dossier afkomstig van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) blijkt dat C in de periode van 1 september 2007 tot en met 31 augustus 2015 onafgebroken voltijds heeft gestudeerd. Verder volgt uit deze informatie dat C in de periode van 1 september 2015 tot 1 februari 2016 geen onderwijs heeft gevolgd en dat zij op 1 februari 2016 opnieuw met een voltijd studie is gestart. Dat C in de periode van 1 november 2015 tot 1 februari 2016 ook onderwijs heeft gevolgd als bedoeld in 7.1.1, heeft appellante niet nader onderbouwd. Het door appellante overgelegde ongedateerde stuk waaruit volgt dat C zich heeft ingeschreven voor de voltijd studie International Business Law in het academisch jaar 1 september 2015 tot en met 31 augustus 2016, is onvoldoende om de informatie afkomstig van de DUO te weerleggen.

Gelet op 7.1.1 en 7.1.2 heeft de Svb op goede gronden C in de periode van 1 november 2015 tot 1 februari 2016 als kosten delende medebewoner aangemerkt.

Opschorting en intrekking AIO-aanvulling

De opschorting van de AIO-aanvulling berust op toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW. Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de PW heeft de bijstandverlenende instantie de bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand indien de betrokkene de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, of indien de betrokkene anderszins onvoldoende medewerking verleent.

De bevoegdheden tot opschorting van het recht op bijstand en intrekking van de bijstand op grond van onderscheidenlijk het eerste en het vierde lid van artikel 54 van de PW zijn bedoeld als dwangmiddel tot nakoming van de op de bijstandsgerechtigde rustende wettelijke verplichting inlichtingen te verstrekken. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 12 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1120). Het betreft discretionaire bevoegdheden, waarbij de bijstandverlenende instantie een belangenafweging moet maken en de evenredigheid in acht moet nemen. Daaronder valt ook de vraag of de uitoefening van het dwangmiddel in een redelijke verhouding staat tot de daarmee te dienen doelen (proportionaliteit). Vergelijk de uitspraak van 21 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2653.

De Svb heeft het recht op AIO-aanvulling opgeschort, omdat appellante de bij de brieven van 6 april 2016 en 26 mei 2016 gevraagde informatie met betrekking tot haar recht op en de uitbetaling van het Russische pensioen niet heeft verstrekt. De Svb is er bij de vaststelling van het recht op AIO-aanvulling echter al vanuit gegaan dat appellante recht had op Russisch pensioen en heeft dit pensioen in mindering gebracht op de AIO-aanvulling. De Svb heeft hierbij een schatting gemaakt van het bedrag aan pensioen waar appellante maandelijks recht op heeft. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat de Svb in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot opschorting. Het inzetten van een dwangmiddel tot nakoming van de op de bijstandsgerechtigde rustende wettelijke verplichting inlichtingen te verstrekken, en dus het staken van de uitbetaling van volledige AIO-aanvulling, was in dit geval in verhouding tot het daarmee te dienen belang niet proportioneel. Er bestond immers geen twijfel over de hoogte van de pensioenaanspraak in Russische roebels. Zekerheid omtrent de vraag of dit bedrag uitbetaald werd en, zo nee, waarom niet, rechtvaardigt niet dat de resterende aanspraak op een AIO-aanvulling in het geheel niet wordt uitbetaald. Dat geldt ook voor zekerheid omtrent de vraag op welke dag van de maand de aanspraak ontstaat of de uitbetaling zou plaatsvinden in verband met de actuele wisselkoers. Die maandelijkse verschillen zijn niet groot genoeg om deze toepassing van het dwangmiddel te rechtvaardigen.

Nu de Svb niet in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot opschorting, was de Svb vervolgens evenmin bevoegd om met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW de AIO-aanvulling met ingang van 13 juni 2016 in te trekken.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep slaagt. Aangevallen uitspraak 1 komt daarom in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het het beroep van appellante tegen de bestreden besluiten 2 en 3 gegrond verklaren en deze besluiten vernietigen wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, en 7:12, eerste lid, van de Awb.

Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. De besluiten 2 en 3 zullen met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb worden herroepen, omdat deze besluiten op dezelfde ondeugdelijke motivering berusten en dit gebrek aan proportionaliteit niet kan worden hersteld.

8. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten die appellante in beroep en hoger beroep heeft moeten maken. De kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden vastgesteld op € 3.036,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank, 1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting bij de Raad).

Aangevallen uitspraak 2

Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte enkel de reiskosten heeft vergoed op basis van de reiskosten openbaar vervoer tweede klas en niet de door haar gemaakte reiskosten per taxi. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiertoe is het volgende van belang.

In artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is bepaald dat het bedrag van de kosten ten aanzien van de reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat in bijzondere omstandigheden van het eerste lid kan worden afgeweken.

Uit artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 volgt dat de reis- en verblijfkosten voor een partij of belanghebbende een tarief bedragen waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Als reizen per openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is, bedraagt de vergoeding € 0,28 per kilometer. In het verlengde hiervan komen gemaakte taxikosten ook alleen voor vergoeding in aanmerking als reizen met het openbaar vervoer niet mogelijk is.

Nu appellante op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat reizen met het openbaar vervoer niet mogelijk is, heeft de rechtbank de gemaakte reiskosten terecht overeenkomstig het Bpb vastgesteld gelijk aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, tweede klas.

Uit 9.1.1 tot en met 9.1.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat aangevallen uitspraak 2 moet worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Nader besluit

De te beoordelen periode loopt van 13 januari 2015 tot en met 12 juni 2016.

Een belanghebbende is ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW verplicht om aan de Svb op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op AIO-aanvulling.

Niet in geschil is dat appellante, ondanks de herhaalde verzoeken van de Svb, geen nadere gegevens over de uitbetaling van haar Russische pensioen heeft verstrekt. Appellante heeft daarmee de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het gaat hier immers om gegevens die van invloed kunnen zijn op het recht op AIO-aanvulling. Om het recht op AIO-aanvulling precies vast te kunnen stellen, is het voor de Svb van belang om te weten wat de exacte hoogte was van het pensioen waar appellante maandelijks recht op had en of, waar en op welke datum het wordt uitbetaald. Aangezien het pensioenfonds heeft verklaard appellante een verklaring te hebben toezonden betreffende de bedragen van haar pensioen over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2019 – en appellante dit ook niet ontkent – kan ook genoegzaam worden vastgesteld dat appellante over deze gegevens beschikt, dan wel heeft kunnen beschikken en ervoor gekozen heeft ze niet over te leggen.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening. Vergelijk de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852.

De beschikbare gegevens bieden voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt dat het recht op AIO-aanvulling over de te beoordelen periode schattenderwijs is vast te stellen. Hiertoe is het volgende van belang.

Appellante heeft met de aanvraag om AIO-aanvulling een kopie van een Russisch pensioendocument uit 2014 aan de Svb verstrekt. Volgens dit document ontvangt appellante een pensioen ter hoogte van 96.393 roebel. Appellante heeft toegelicht dat dit het bedrag is dat zij jaarlijks aan pensioen ontvangt. Voorts heeft appellante op 19 juli 2016 een verklaring aan de Svb toegestuurd afkomstig van het pensioenfonds van juni 2016, inhoudende dat appellante vanaf 30 augustus 1994 levenslang een verzekeringsouderdomspensioen is toegekend. Volgens deze verklaring bedraagt het bedrag van dit pensioen op 28 juni 2016 8.032,75 roebel.

Aangezien het bedrag van 8.032,75 roebel maal twaalf exact uitkomt op het bedrag van 96.393 roebel, kan genoegzaam worden vastgesteld dat de hoogte van het pensioen waarop appellante in de te beoordelen periode recht had, onveranderd is gebleven. De omrekening van het ontvangen bedrag naar een vergelijkbaar Nederlands inkomen kan plaatsvinden met gebruikmaking van de officiële gemiddelde wisselkoers over het betreffende jaar, zoals gepubliceerd op de website van De Nederlandsche Bank. Daarbij komt dat de Svb bij aanvang van de AIO-aanvulling en in de te beoordelen periode het recht al op die manier met een schatting heeft vastgesteld.

Uit 11.6.1 en 11.6.2 volgt dat de Svb niet bevoegd was de AIO-aanvulling over de te beoordelen periode in te trekken en terug te vorderen. De Raad zal het beroep van appellante tegen het nader besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Nu het recht op een AIO-aanvulling door middel van een schatting kan worden vastgesteld en de Svb dit over de te beoordelen periode al gedaan heeft en appellante blijkens de uitlating van mr. Beelaard daarmee kan leven, bestaat geen noodzaak om de Svb opdracht te geven een nieuwe schatting van het recht op een AIO-aanvulling over de te beoordelen periode te laten maken. Dit betekent dat de besluiten 4 en 5 wegens hetzelfde gebrek en op dezelfde grond zullen worden herroepen.

12. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten die appellante in beroep tegen het nader besluit heeft moeten maken. De kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden vastgesteld op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift). Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de kosten in bezwaar en beroep al zijn vergoed en dat voor het verschijnen ter zitting al een vergoeding is toegekend.

Samenvatting van de uitkomst van de geschillen

13. De uitkomst is dat appellante haar recht op een AIO-aanvulling vanaf 13 juni 2016 heeft behouden en dat zij over de daaraan voorafgaande periode niets hoeft terug te betalen aan de Svb.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Aangevallen uitspraak 1

bevestigt aangevallen uitspraak 1, voor zover deze betrekking heeft op de herziening van de AIO-aanvulling over de periode van 1 november 2015 tot en met 31 maart 2016;

vernietigt aangevallen uitspraak 1, voor zover deze betrekking heeft op de opschorting en intrekking van de AIO-aanvulling met ingang van 13 juni 2016;

verklaart het beroep tegen de besluiten van 24 oktober 2016 gegrond en vernietigt deze besluiten;

herroept de besluiten van 17 juni 2016 en 20 juli 2016 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van 24 oktober 2016;

veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 3.036,-;

bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 172,- vergoedt.

Aangevallen uitspraak 2

- bevestigt aangevallen uitspraak 2.

Nader besluit

verklaart het beroep tegen het besluit van 12 juli 2019 gegrond en vernietigt dit besluit;

herroept de besluiten van 24 juli 2017 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 12 juli 2019;

veroordeelt de Svb in de kosten van appellante tot een bedrag van € 759,-.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van J. Oosterveen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2022.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J. Oosterveen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl ABkort 2022/104 JWWB 2022/41 NJB 2022/554 USZ 2022/106 met annotatie van Venderbos, M.W., Nacinovic, H.W.M.
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?