ECLI:NL:CRVB:2022:2661

ECLI:NL:CRVB:2022:2661, Centrale Raad van Beroep, 29-11-2022, 20 / 3988 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 29-11-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20 / 3988 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011453

Samenvatting

Herziening en terugvordering van bijstand. Kostendelersnorm. Appellante heeft de inlichtingenverplichting geschonden door niet te melden dat haar dochter per 9 februari 2018 bij haar studie was uitgeschreven. Dat appellante eerder telefonisch heeft gemeld dat een van haar kinderen eerst studiefinanciering had en nu werkt, en in een gesprek heeft gemeld dat zij veel moeite heeft met haar twee dochters onder meer omdat zij een studie beginnen en niet afmaken, betekent niet dat zij haar inlichtingenverplichting is nagekomen. Deze verklaringen zijn onvoldoende eenduidig.

Uitspraak

Herziening

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de PW doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder d, van de PW, bepaalt – voor zover van belang – dat onder kostendelende medebewoner wordt verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft en niet een persoon is die onderwijs volgt waarvoor aanspraak op studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, eerste of tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 kan bestaan en op enig moment tijdens dat onderwijs gelet op zijn leeftijd in aanmerking kan komen voor die studiefinanciering.

Niet in geschil is dat A als gevolg van en per datum van het uitschrijven bij haar studie als kostendelende medebewoner van appellante moet worden aangemerkt. Dat betekent dat appellante per 9 februari 2018 in aanmerking komt voor bijstand met toepassing van de kostendelersnorm en recht heeft op minder bijstand dan zij in de te beoordelen periode heeft ontvangen.

Schending inlichtingenverplichting

Appellante heeft allereerst aangevoerd dat zij op 12 februari 2015, 17 oktober 2017 en/of 17 januari 2018 heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting. Op die data was het college er van op de hoogte, of had het college er van op de hoogte kunnen zijn, dat de kostendelersnorm op de bijstandsuitkering van appellante van toepassing was. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Appellante kan niet worden gevolgd in haar stelling dat het college op 12 februari 2015 al kon weten dat A per 9 februari 2018 bij haar studie uitgeschreven zou worden. Dit volgt, anders dan appellante heeft aangevoerd, niet uit het enkele feit dat in de administratieve systemen van het college, op het moment dat A 21 jaar werd, abusievelijk vermeld werd dat A kostendelende medebewoner was. A was op dat moment nog ingeschreven bij haar studie. Appellante heeft ook niet gesteld dat (zij destijds heeft gemeld dat) A op dat moment niet meer studeerde of voornemens was te stoppen met haar studie.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellante ook op 17 oktober 2017 en 17 januari 2018 geen concrete melding heeft gedaan dat A zou gaan stoppen met haar studie. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank op dit punt en de overweging, zoals weergegeven in 2.1, waarop dit oordeel rust.

Verder heeft appellante aangevoerd dat van een schending van de inlichtingenverplichting geen sprake kan zijn, omdat zij niet wist dat zij het moest melden als A met haar studie zou stoppen. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Anders dan appellante heeft betoogd, had het haar redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het beëindigen van de studie van A van invloed kon zijn op haar recht op bijstand. Zie in dit verband bijvoorbeeld de uitspraak van 30 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:807 (overweging 4.6.1). Dat dit voor appellante overigens ook duidelijk was, blijkt al uit het feit dat zij in oktober 2017 telefonisch heeft gemeld dat een dochter eerst studiefinanciering had en nu is gaan werken. Voor zover appellante heeft bedoeld dat haar geen verwijt treft, houdt die stelling ook geen stand. De in artikel 17, eerste lid, van de PW neergelegde verplichting is immers een objectief geformuleerde verplichting, waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. Beoordeeld moet worden of appellante de hier aan de orde zijnde inlichtingen had moeten verstrekken en dit heeft nagelaten. Dit laatste is het geval.

Terugvordering

Zesmaandenjurisprudentie

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 17 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:312) moet de bijstandverlenende instantie adequaat reageren op signalen over mogelijk ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte uitkering. Een signaal is relevante informatie van de betrokkene waaruit de bijstandverlenende instantie kan afleiden dat een fout is gemaakt en dat zij in actie moet komen. Na zo’n signaal heeft de bijstandverlenende instantie uiterlijk zes maanden om tot actie over te gaan. Op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel kan over de periode na die zes maanden geen gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot terugvordering.

Appellante heeft betoogd dat er op 12 februari 2015, 17 oktober 2017 of 17 januari 2018 een signaal is geweest als bedoeld in 4.6. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de mededelingen van appellante op 17 oktober 2017 en 17 januari 2018 daartoe ontoereikend zijn en dat ook op 12 februari 2015 geen sprake is geweest van een signaal. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank op dit punt en de overweging, zoals weergegeven in 2.2, waarop dit oordeel rust.

Brutering over de periode van 9 februari 2018 tot 12 september 2018 (periode 1)

De bijstandverlenende instantie mag de in artikel 58, vijfde lid, tweede volzin, van de PW neergelegde bevoegdheid tot bruto terugvordering niet gebruiken als een vordering is ontstaan mede of geheel door toedoen van de bijstandverlenende instantie én de betrokkene niet kan worden verweten dat hij de vordering niet al heeft voldaan in het kalenderjaar waarin deze is ontstaan. Dit is eerder overwogen in de uitspraak van 7 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1388.

Nu uit 4.4 en 4.5 volgt dat appellante in periode 1 de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, heeft het college – anders dan appellante heeft betoogd – de vordering over die periode terecht gebruteerd.

Grondslag terugvordering over de periode van 12 september 2018 tot 12 maart 2019 (periode 2)

Appellante heeft verder nog ten aanzien van periode 2 aangevoerd dat er op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de PW geen terugvordering kan plaatsvinden. Deze beroepsgrond slaagt niet, alleen al niet omdat de terugvordering over periode 2 ook niet is gebaseerd op voornoemde bepaling, maar op artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW.

Dringende redenen

Ten slotte heeft appellante nog een beroep gedaan op de aanwezigheid van dringende redenen op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante dit beroep nader toegelicht. Appellante is een kwetsbaar persoon, die al geruime tijd op de armoedegrens leeft en ondervoed is. Haar situatie is complex, ze heeft problemen van medische en financiële aard.

Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken.

Dat appellante de afgelopen jaren in een moeilijke situatie heeft verkeerd, staat buiten twijfel. Van dringende redenen als bedoeld in 4.11.1 is de Raad echter niet gebleken. Appellante heeft – ook in hoger beroep – niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de terugvordering voor haar tot onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen leidt of heeft geleid.

Conclusie

Uit 4.3 tot en met 4.11.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.E. Marechal, in tegenwoordigheid van F.C. Meershoek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2022.

(getekend) E.C.E. Marechal

(getekend) F.C. Meershoek

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JWWB 2023/31
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?