20 3552 WW
Datum uitspraak: 15 december 2022
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 september 2020, 19/2752 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.W.J.A. van der Molen-Platenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Molen-Platenburg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.
OVERWEGINGEN
Appellant had vanaf 27 mei 2016 tot 3 juni 2017 een zorgovereenkomst met zijn hulpbehoevende vader, [naam vader appellant] voor 12 uur per week. Met ingang van 3 juni 2017 is de zorgovereenkomst gewijzigd en is de zorg door appellant verhoogd naar 40 uur per week. Appellant ontving vanaf 3 juni 2017 voor de zorg € 3.300,- per maand uit het persoonsgebonden budget (pgb) van zijn vader. De vader van appellant is op [datum] 2017 overleden.
Op 11 januari 2018 heeft appellant een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Daarnaast heeft appellant een toeslag aangevraagd op grond van de Toeslagenwet. Bij besluit van 15 maart 2018 heeft het Uwv appellant met ingang van 19 december 2017 een voorschot toegekend op de door hem gevraagde WW-uitkering.
Bij besluit van 23 oktober 2018 heeft het Uwv appellant per 19 december 2017 een WW-uitkering en een toeslag geweigerd. Bij beslissing op bewaar van 18 april 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 oktober 2018 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant per 19 december 2017 niet verzekerd was voor de Werkloosheidswet. Er was geen sprake van een arbeidsovereenkomst, omdat tussen appellant en zijn vader geen gezagsverhouding bestond. Appellant verzorgde zijn vader op basis van een zorgovereenkomst. Daarnaast ontbraken in de zorgovereenkomst essentiële onderdelen voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst, zoals werktijden, vakantiedagen en vakantietoeslag en afspraken rond ziekmelden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de zorgovereenkomst tussen appellant en zijn vader niet kan worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat essentiële onderdelen voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst, zoals werktijden, vakantiedagen, vakantietoeslag en afspraken over ziekmelding, niet zijn vastgesteld. Daarnaast duidt de feitelijke invulling van de tussen appellant en zijn vader gesloten zorgovereenkomst niet op het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Appellant heeft weliswaar gesteld dat hij 40 uur per week beschikbaar was, maar heeft op geen enkele manier inzichtelijk gemaakt wanneer en hoeveel uren hij heeft gewerkt. Vakantie heeft hij naar eigen zeggen al die tijd niet genoten. Ook is niet gebleken dat er een gezagsverhouding heeft bestaan tussen appellant en zijn vader. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn vader hem opdrachten en instructies gaf met betrekking tot de zorg. De rechtbank heeft in dat kader verwezen naar de door appellant ingevulde vragenlijst van 1 juni 2018. Op die vragenlijst heeft hij ingevuld dat het zorgkantoor en de huisarts van zijn vader toezicht en controle hielden op de kwaliteit van de door hem verleende zorg. Daarnaast werd appellant door het zorgkantoor en de huisarts tot verantwoording geroepen met betrekking tot de wijze waarop hij de werkzaamheden verrichtte. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep van appellant op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel niet slaagt. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit het besluit van 12 oktober 2016 niet kan worden afgeleid dat de aanvraag om vrijwillige werkloosheidsverzekering van appellant is afgewezen vanwege het bestaan van een dienstbetrekking. Het Uwv heeft appellant niet tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering toegelaten omdat hij niet aan de voorwaarden voldeed als bedoeld in artikel 53 van de WW. Uit de gedingstukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank verder dat appellant met de aanvragen van 7 maart 2017 en 31 oktober 2017 het Uwv heeft verzocht om hem toe te laten tot de vrijwillige verzekering in het kader van de Ziektewet en Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en niet tot de vrijwillige werkloosheidsverzekering.
Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat de inkomsten die hij heeft verworven met zijn werkzaamheden op grond van de zorgovereenkomst met zijn vader inkomsten uit verzekerde arbeid zijn geweest. Appellant heeft gesteld dat sprake was van een gezagsverhouding, omdat zijn vader bepaalde welke zorg appellant moest geven. Verder was in het zorgplan het dagprogramma bepaald. In het zorgplan stond wanneer zijn vader zijn medicijnen toegediend moest krijgen, geholpen diende te worden bij het eten en persoonlijk diende te worden verzorgd. De vader van appellant heeft steeds aanwijzingen en instructies gegeven ten aanzien van de zorg die verleend diende te worden. De huisarts en het zorgkantoor hielden toezicht op de kwaliteit van de zorg. Ook waren er afspraken over de te werken uren en vervanging bij ziekte en vakantie. Verder heeft appellant gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant geen beroep kon doen op het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel. Appellant heeft aangevoerd dat de omstandigheid dat hij niet aan de gestelde voorwaarden zoals bedoeld in artikel 53 WW voldeed, juist bevestigt dat hij als werknemer in het kader van de WW aangemerkt dient te worden en dat hij wel degelijk op juiste gronden een beroep heeft gedaan op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Ook uit de door verweerder overgelegde interne memo's van 2 februari 2018 en 15 maart 2018 blijkt dat de zorgovereenkomst van appellant als een arbeidsovereenkomst aangemerkt dient te worden, aangezien appellant voor meer dan vier dagen per week werkte voor zijn vader. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake was van een arbeidsovereenkomst heeft appellant een verklaring ingebracht van de huisarts van zijn vader van 31 maart 2021.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de WW wordt als werknemer aangemerkt de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
In geschil is of appellant moet worden aangemerkt als werknemer in de zin van de WW en of hij aanspraak kan maken op een WW-uitkering. Hiertoe is vereist dat hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot zijn vader.
Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785). Voor de toetsing of een rechtsverhouding beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst dient de vraag te worden beantwoord welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van hun rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie onder meer de uitspraken van de Hoge Raad van 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3887, 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8926 en 6 november 2020, ECLI:NL:HR:1746). Niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Waar het om gaat, is of de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst.
Het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellant en zijn vader, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de WW en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid, worden onderschreven.
Hieraan wordt het volgende toegevoegd. Het dossier bevat alleen een door appellant en zijn vader ondertekende zorgovereenkomst. Daaruit blijkt slechts summierlijk welke rechten en verplichtingen appellant en zijn vader over en weer zijn overeengekomen. In deze overeenkomst zijn geen concrete afspraken opgenomen over een aantal essentiële onderwerpen van een arbeidsovereenkomst, zoals onder meer werktijden en vakantiedagen, vakantietoeslag, de procedure rond ziekmelding en vervanging bij ziekte en verlof. In de zorgovereenkomst is slechts in algemene bewoordingen vermeld dat appellant verantwoordelijk was voor de persoonlijke verzorging, verpleging en individuele begeleiding van zijn vader. Over de concrete invulling daarvan is in de zorgovereenkomst niets opgenomen. Appellant heeft weliswaar verwezen naar het zorgplan, waarin volgens hem nadere afspraken zouden zijn vastgelegd, maar dit zorgplan is niet ingebracht. Appellant heeft in hoger beroep evenmin andere stukken ingebracht met betrekking tot de rechten en verplichtingen die appellant en zijn vader zouden zijn overeengekomen. Nadere gegevens over de feitelijke invulling van de werkzaamheden ontbreken eveneens, waarbij vooral van belang is dat concrete informatie ontbreekt over de vraag in hoeverre appellant zijn werkzaamheden verrichtte volgens de aanwijzingen en instructies van zijn vader. Appellant stelt weliswaar dat zijn vader bepaalde wanneer hij werkte en hoe hij zijn werkzaamheden verrichtte, maar dat heeft hij niet onderbouwd. Daarbij is ook van belang dat van enige controle op de uitvoering en kwaliteit van de zorg door de vader van appellant niet is gebleken. Integendeel, uit door appellant zelf via de vragenlijst van 1 juni 2018 verstrekte informatie blijkt dat de huisarts en het zorgkantoor de door appellant verleende zorg controleerden, zoals de rechtbank ook heeft overwogen. Dat duidt niet op het bestaan van een gezagsverhouding tussen appellant en zijn vader.
Appellant heeft verklaard dat hij 24 uur per dag en 7 dagen per week beschikbaar was om zorg te verlenen aan zijn vader en dat de zorg die hij in praktijk aan zijn vader verleende veel meer tijd innam dan de 40 uren die in de zorgovereenkomst zijn opgenomen. Dit getuigt van een zonder meer te respecteren grote inzet van appellant voor zijn vader, maar gaat tegelijkertijd veel verder dan de inzet die redelijkerwijs van een reguliere werknemer wordt verwacht. Uit de verklaring van de huisarts van 31 maart 2021 blijkt verder van grote waardering voor de manier waarop appellant zijn vader heeft verzorgd. Appellant wordt evenwel niet gevolgd in zijn standpunt dat uit deze verklaring blijkt dat sprake was van een arbeidsovereenkomst, reeds omdat deze verklaring niets vermeldt over een gezagsverhouding of feiten en omstandigheden die in dat kader van belang zijn.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht, waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen (zie de uitspraak van de Raad van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559).
Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de zijde van het Uwv concrete toezeggingen zijn gedaan waaruit hij redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat hij verzekerd was voor de WW. Niet is gebleken dat interne memo’s van het Uwv kenbaar zijn gemaakt aan appellant, dan wel dat er van de zijde van het Uwv mededelingen zijn gedaan aan appellant dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en dat appellant daarom verzekerd was voor de WW. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dus niet.
Uit wat is overwogen onder 4.2 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en S. Slijkhuis als leden, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2022.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) L. Winters
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.