ECLI:NL:CRVB:2022:603

ECLI:NL:CRVB:2022:603, Centrale Raad van Beroep, 22-03-2022, 20/2259 PW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 22-03-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 20/2259 PW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002221

Samenvatting

Afwijzing aanvraag om AIO-aanvulling. Appellant was in de te beoordelen periode eigenaar van twee woningen in Marokko, en het vermogen van appellanten was hoger dan de voor hen geldende grens van het vrij te laten vermogen. Recht op een AIO-aanvulling kan slechts bestaan vanaf het moment dat appellanten daadwerkelijk zoveel hebben ingeteerd op hun vermogen dat de grens van het vrij te laten vermogen niet langer wordt overschreden.

Uitspraak

20. 2259 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (rechtbank) van 13 mei 2020, 20/1660 en 20/2664 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 22 maart 2022

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. S. Ettalhaoui, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ettalhaoui, die ook appellant heeft vertegenwoordigd. Tevens is verschenen [naam dochter] , dochter van appellanten. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen sinds 1 oktober 2015, in aanvulling op het pensioen van appellant op grond van de Algemene Ouderdomswet, een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) op grond van de Participatiewet (PW).

Bij besluit van 10 november 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 maart 2017, heeft de Svb de AIO-aanvulling met ingang van 1 oktober 2015 ingetrokken. Hieraan heeft de Svb, samengevat, ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden doordat zij geen melding hebben gemaakt van het bezit van appellant van twee woningen in Marokko. Doordat de waarde van die woningen hoger was dan de voor hen geldende vermogensgrens, hadden appellanten geen recht op een AIO-aanvulling.

Bij uitspraak van 18 augustus 2017 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 maart 2017 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2037, heeft de Raad het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 augustus 2017, met verbetering van de gronden waarop zij berust, ongegrond verklaard.

Appellanten hebben op 25 augustus 2019 een nieuwe aanvraag om een AIO-aanvulling ingediend. Uit het ingevulde aanvraagformulier blijkt dat appellant nog steeds eigenaar is van de twee woningen in Marokko.

Bij besluit van 23 december 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 april 2020 (bestreden besluit), heeft de Svb de aanvraag van appellanten afgewezen. De Svb heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellanten geen recht hebben op een AIO-aanvulling, omdat zij beschikken over vermogen boven de voor hen geldende vermogensgrens. De Svb heeft het vermogen van appellanten vastgesteld op € 25.891,21. Daarbij heeft de Svb de waarde van de twee woningen in Marokko, uitgaande van de in 2016 getaxeerde waarde en rekening houdend met de in december 2019 geldende koers van de Dirham, vastgesteld op een bedrag van € 29.811,81 en hierop de nog resterende schuld aan het college van € 3.920,60 in mindering gebracht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De te beoordelen periode loopt van 25 augustus 2019 tot en met 23 december 2019.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de te beoordelen periode nog steeds eigenaar was van twee woningen in Marokko en dat het vermogen van appellanten hoger was dan de voor hen geldende grens van het vrij te laten vermogen van € 12.240,-.

Appellanten hebben, evenals in bezwaar en beroep, betoogd dat zij recht hebben op een AIO-aanvulling doordat zij fictief hebben ingeteerd op hun vermogen, omdat zij sinds 1 oktober 2015 geen AIO-aanvulling hebben ontvangen.

Dit betoog faalt. Op grond van artikel 47a, tweede lid, in verbinding met artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW is een van de voorwaarden voor het recht op een AIO-aanvulling dat er geen in aanmerking te nemen vermogen is. In artikel 34 van de PW is geregeld wat onder vermogen wordt verstaan en wat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen. Deze bepalingen hebben een dwingendrechtelijk karakter en laten geen ruimte voor de benadering van appellanten die ervan uitgaat dat recht op een AIO-aanvulling kan bestaan indien er weliswaar daadwerkelijk in aanmerking te nemen vermogen is, maar de fictie wordt gehanteerd dat op dat vermogen is ingeteerd. Recht op een AIO-aanvulling kan slechts bestaan vanaf het moment dat appellanten daadwerkelijk zoveel hebben ingeteerd op hun vermogen dat de grens van het vrij te laten vermogen niet langer wordt overschreden (zie ook de uitspraak van 9 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:495). Dat appellant de twee woningen in Marokko wil behouden vanwege het feit dat twee andere echtgenotes van appellant daar met hun kinderen wonen, leidt niet tot een ander oordeel.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van J. Oosterveen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2022.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) J. Oosterveen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JWWB 2022/78
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?