20. 1149 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 februari 2020, 19/5279 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland (college)
Datum uitspraak: 15 maart 2022
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. M. El Idrissi, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2022. Appellant en mr. El Idrissi hebben via videobellen deelgenomen aan de zitting. Het college heeft zich, eveneens door middel van videobellen, laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Kooistra.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 24 juni 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 september 2019 (bestreden besluit), heeft het college – voor zover hier nog van belang – een aanvraag van appellanten om bijzondere bijstand voor stofferings- en inrichtingskosten afgewezen.
Het college heeft aan de afwijzing van bijzondere bijstand voor de inrichtingskosten ten grondslag gelegd dat appellanten de gevraagde bewijsstukken, zoals pro forma nota’s of een overzicht van de kosten, niet hebben ingeleverd waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Het college heeft aan de afwijzing van bijzondere bijstand voor stofferingskosten ten grondslag gelegd dat appellanten over voldoende draagkracht beschikken om de gevraagde kosten te voldoen. Daarbij heeft het college de draagkracht van appellanten vastgesteld op een bedrag van € 5.274,-.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ter zitting van de Raad hebben appellanten het hoger beroep voor zover dat ziet op de aanvraag bijzondere bijstand voor inrichtingskosten niet langer gehandhaafd. Tussen partijen is alleen nog in geschil of het college de aanvraag voor de stofferingskosten terecht heeft afgewezen.
Stofferingskosten moeten worden gerekend tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die in beginsel dienen te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.
Tussen partijen is niet in geschil dat de stofferingskosten zich voordoen en dat die kosten noodzakelijk zijn.
Appellanten hebben de door het college vastgestelde draagkracht als zodanig niet betwist. De Raad begrijpt het standpunt van appellanten zo, dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen omdat de reserveringsruimte al benut wordt omdat zij, naast de stofferingskosten, ook inrichtingskosten hebben gemaakt en extra kosten hebben in verband met medische klachten van twee van hun kinderen.
Deze grond slaagt al niet omdat appellanten de gestelde inrichtingskosten en de extra kosten voor de kinderen op geen enkele wijze aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens nader hebben onderbouwd.
Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2022.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) B. Beerens