OVERWEGINGEN
1. Voor de van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de hiervoor vermelde uitspraak van 13 september 2021.
2. Bij de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht stond de vraag centraal of verzoeker bij zijn verzoek om terug te komen van de besluiten van 4 april 2008 en 4 augustus 2009 nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd. Volgens de voorzieningenrechter van de Raad was dat niet het geval. Alles wat verzoeker had aangevoerd, had hij ook al in eerdere procedures naar voren gebracht. Hierbij is verwezen naar wat de Raad in zijn eerdere uitspraken van 9 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:820), 21 augustus 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2869) en 27 oktober 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2597) heeft geoordeeld en overwogen.
3. Verzoeker heeft in zijn verzoek om herziening, kort samengevat, gesteld dat het besluit van 4 april 2008, waarbij zijn WIA-aanvraag is opgeschort in verband met een verlengde loondoorbetalingsverplichting aan zijn toenmalige werkgever, onjuist is geweest. Daardoor heeft niet op het juiste moment een medische beoordeling plaatsgevonden en is bij besluit van 4 augustus 2009 een uitkering toegekend die is ingegaan op een verkeerde datum, op basis van een te laag dagloon wegens een onjuist vastgestelde referteperiode.
4. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2056) is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
Wat verzoeker heeft aangevoerd komt erop neer dat hij vindt dat de voorzieningenrechter van de Raad in de uitspraak van 13 september 2021 de feiten onjuist heeft vastgesteld. Hij heeft daarbij geen feiten of omstandigheden genoemd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, dat wil zeggen feiten of omstandigheden die hem vóór de uitspraak van 13 september 2021 niet bekend waren en hem voorafgaand aan die uitspraak ook niet redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Er is dus niet voldaan aan de voorwaarden voor herziening. Hieruit volgt dat het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 13 september 2021 moet worden afgewezen.
Omdat het verzoek om herziening wordt afgewezen, komt het verzoek om een voorlopige voorziening niet voor toewijzing in aanmerking.
Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding moet worden aangemerkt als een verzoek als bedoeld in titel 8.4 van de Awb. Uit artikel 8:119, tweede lid, van de Awb volgt dat deze titel niet van toepassing is op het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening. Dit betekent dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade alleen al hierom moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
- wijst het verzoek om herziening af;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van A.L.K. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2022.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) A.L.K. Dagmar